Dexia stelde in hoger beroep dat het vernietigingsrecht van de effectenleaseovereenkomst niet was verjaard op het moment van de vernietigingsverklaring door de toenmalige echtgenoot van de afnemer. De kern van het geschil betrof de vraag of de echtgenoot al vóór 13 maart 2000 bekend was met de overeenkomst, waardoor de verjaringstermijn zou zijn aangevangen. Dexia voerde aan dat betalingen vanaf een gezamenlijke rekening werden gedaan en dat de omvang van de leaseovereenkomst relatief groot was, wat duidde op vroegtijdige bekendheid.
De afnemer betwistte dit en stelde dat de echtgenoot pas in 2005 geïnformeerd werd over de overeenkomst. Het hof oordeelde dat Dexia haar stelplicht en bewijsaanbod voldoende had toegelicht en dat het bewijsaanbod niet gepasseerd mocht worden. Er geldt een bewijsvermoeden dat de echtgenoot door ontvangst van rekeningafschriften op of voor 13 maart 2000 bekend was met de overeenkomst, tenzij de afnemer tegenbewijs levert.
Het hof liet de afnemer toe om tegenbewijs te leveren door getuigenverhoren, waaronder zichzelf en de toenmalige echtgenoot. Het hof stelde een planning vast voor de verhoren in december 2025 en januari 2026 en hield verdere beslissing aan. Tevens wees het hof op de procesregels omtrent het indienen van processtukken en memorieën.