In deze civiele zaak staat centraal of het vernietigingsrecht van de effectenleaseovereenkomsten tussen Dexia en de afnemer, wegens het ontbreken van schriftelijke toestemming van de echtgenoot, is verjaard. De echtgenote van de afnemer had in 2005 de overeenkomsten vernietigd, maar Dexia stelt dat dit recht toen al was verjaard.
De kantonrechter had het beroep van Dexia op verjaring verworpen en de vernietiging van de overeenkomsten erkend. Dexia ging in hoger beroep en voerde drie grieven aan tegen het bewijsverweer van de afnemer, met name over de datum waarop de echtgenoot bekend was met de overeenkomsten.
Het hof oordeelt dat Dexia haar stelplicht en bewijsaanbod voldoende heeft toegelicht en dat het bewijsaanbod niet gepasseerd mag worden. Het hof stelt dat de verjaringstermijn begint te lopen vanaf het moment dat de echtgenoot daadwerkelijk bekend werd met de overeenkomst en dat Dexia bewijs mag leveren over die bekendheid.
Het hof wijst op relevante jurisprudentie over de stuiting van de verjaring door een collectieve procedure en de termijn waarbinnen vernietiging moet zijn ingesteld. Het hof houdt de zaak aan en bepaalt dat getuigenverhoren zullen plaatsvinden in december 2025 en januari 2026, waarna verdere beslissing volgt.