Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €760.000 per 1 januari 2021 voor het belastingjaar 2022. Na afwijzing van het bezwaar door de heffingsambtenaar en ongegrondverklaring van het beroep door de Rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Het geschil betrof de juistheid van de vastgestelde WOZ-waarde, de naleving van de toezendplicht uit artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, en de vraag of het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel was geschonden door het gebruik van andere vergelijkingsobjecten in de beroepsfase. Het Hof heeft de taxatiematrix en onderbouwing van de heffingsambtenaar onderzocht, waarbij het object en de vergelijkingsobjecten werden vergeleken op bouwjaar, gebruiksoppervlak, kavelgrootte, bijgebouwen, bouwkwaliteit, onderhoudsstaat en voorzieningen.
Het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog was. De gebruikte vergelijkingsobjecten waren voldoende vergelijkbaar, met uitzondering van één object dat vanwege afwijkende kenmerken buiten beschouwing werd gelaten. De secundaire objectkenmerken en onderhoudsstaat waren adequaat beoordeeld. De toezendplicht was naar het oordeel van het Hof voldoende nageleefd, en eventuele tekortkomingen waren niet doorslaggevend geweest voor het instellen van beroep. Het gebruik van andere vergelijkingsobjecten in de beroepsfase was toegestaan en vormde geen schending van de beginselen van behoorlijk bestuur.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.