Uitspraak
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep
- de memorie van grieven en eiswijziging, met producties
- de memorie van antwoord
- een akte van [appellant]
- een akte van de bank
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellant had een hypothecaire geldlening met achterstand, waarna de bank in 2010 executoriaal loonbeslag legde en in 2012 de woning executoriaal verkocht. Er bleef een restschuld openstaan waarop het loonbeslag werd voortgezet tot medio 2021. Appellant stelde dat de vordering van de bank verjaard was omdat de bank niet tijdig had gestuit.
De rechtbank oordeelde dat de vordering niet verjaard was omdat het loonbeslag een daad van rechtsvervolging is die de verjaring stuit. Het hof bevestigt dit oordeel en stelt dat het maandelijks innen van het loonbeslag als een maandelijkse stuitingshandeling moet worden beschouwd, analoog aan artikel 3:316 lid 1 BW Pro. Hierdoor is appellant bekend met de voortdurende vordering van de bank.
Het hof overweegt dat het niet nodig is dat de bank iedere vijf jaar een aparte stuitingsbrief stuurt, omdat de maandelijkse inning voldoende duidelijkheid geeft. Ook correspondentie van appellant met de deurwaarder ondersteunt dit. De reconventionele vordering van de bank tot betaling van de restschuld wordt toegewezen. Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de vordering van de bank niet is verjaard en wijst het hoger beroep van appellant af.