Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
16 augustus 2019
Beslissing van de vierde meervoudige belastingkamer
[Z](hierna: belanghebbende)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland inzake belastingheffing. De gemachtigde van belanghebbende, [B], trad namens [A] BV op. Het Hof constateerde dat [B] zich in processtukken herhaaldelijk op grove wijze beledigend uitliet over de Belastingdienst, de rechtspraak, rechters en Nederland.
Ondanks eerdere waarschuwingen bleef [B] volharden in het gebruik van onnodig grievende en mogelijk lasterlijke taal, waarbij hij onder meer leden van de Hoge Raad en het Gerechtshof Amsterdam als criminelen bestempelde. Het Hof nam daarom stukken met dergelijke taal niet in behandeling, wat nadelig was voor de door [B] vertegenwoordigde partijen.
Het Hof oordeelde dat deze gedragingen ernstige bezwaren opleveren tegen [B] en [A] BV als gemachtigde, en dat weigering van hun bijstand in deze procedure gerechtvaardigd is op grond van artikel 8:25 Awb Pro. Dit staat niet in strijd met artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU, omdat belanghebbende niet het recht op toegang tot de rechter wordt ontzegd, maar slechts het recht om door deze gemachtigde te worden bijgestaan.
Het Hof besloot [B] en [A] BV te weigeren als gemachtigde in deze procedure en stelde belanghebbende in de gelegenheid binnen vier weken een andere gemachtigde aan te wijzen. Tegen deze tussenuitspraak is geen zelfstandig rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het Hof weigert gemachtigde [B] en zijn BV als vertegenwoordiger vanwege structureel beledigend taalgebruik en stelt belanghebbende in staat een andere gemachtigde aan te wijzen.