Belanghebbende, een vennootschap onder firma, heeft meerdere naheffingsaanslagen BPM ontvangen en hiertegen bezwaar gemaakt. Na gedeeltelijke toewijzing door de Inspecteur en daaropvolgend beroep bij de rechtbank, werd in één zaak immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, terwijl dit in andere zaken werd afgewezen. De rechtbank veroordeelde de Inspecteur tevens tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
In hoger beroep staat centraal of de immateriële schadevergoeding terecht is gematigd en of belanghebbende recht heeft op vergoeding van de werkelijke proceskosten. Het hof overweegt dat de redelijke termijn in bezwaar en beroep is overschreden en kent een immateriële schadevergoeding toe voor zes zaken gezamenlijk, waarbij de termijn met zes maanden wordt verlengd vanwege bijzondere omstandigheden zoals de grote hoeveelheid soortgelijke zaken.
Het hof veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van een deel van de immateriële schadevergoeding en rente, en bevestigt de veroordeling van de Staat voor het resterende bedrag. Tevens wordt de proceskostenvergoeding vastgesteld op een lager forfaitair bedrag dan door belanghebbende gevorderd, gelet op de omvang en aard van de zaken. De overige uitspraken van de rechtbank worden bevestigd.