Belanghebbende had BPM belasting betaald en kreeg op bezwaar een teruggaaf met rente en proceskostenvergoeding toegekend. Het hof oordeelde dat wettelijke rente passend is, maar dat de rentevoet voor handelstransacties alleen in bijzondere gevallen geldt. Belanghebbende stelde geen feiten die dat onderbouwen.
Het hof matigde de proceskostenvergoeding omdat belanghebbende in duizenden soortgelijke zaken rechtsbijstand ontving en het puntensysteem van het Besluit proceskosten bestuursrecht onredelijk hoge vergoedingen zou opleveren. Dit oordeel werd bevestigd door de Hoge Raad.
De Hoge Raad verwierp klachten over de rentevergoeding en de toepassing van het puntensysteem, benadrukkend dat het hof rekening mocht houden met bijzondere omstandigheden en dat het oordeel niet onbegrijpelijk is. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.