Appellant deed in het schooljaar 2016/2017 het VWO-examen Frans en gaf op vraag 15 het antwoord "en effet", dat aanvankelijk niet als correct werd beoordeeld. Na klachten stelde het College voor Toetsen en Examens (CvTE) vast dat dit antwoord ook goed was, waarna een algemene normeringsaanpassing (N-term 0,5) werd toegepast. Hierdoor kreeg appellant een eindcijfer 5, wat onvoldoende was voor slagen.
Appellant vorderde bij de burgerlijke rechter dat het CvTE haar alsnog het scorepunt zou toekennen of de N-term zou verhogen, zodat zij zou slagen. Het hof oordeelde dat het CvTE als zelfstandig bestuursorgaan geen partij kan zijn in civiele procedure en de vordering daarom tegen de Staat moest worden gericht.
Het hof stelde vast dat de burgerlijke rechter bevoegd is, maar niet ontvankelijk, omdat een bestuursrechtelijke rechtsgang openstond die met voldoende waarborgen was omkleed. De besluiten van de directeur van de school zijn bestuursrechtelijke besluiten waartegen bezwaar en beroep mogelijk zijn. De bestuursrechter kan de toepasselijke algemene verbindende voorschriften toetsen via exceptieve toetsing.
De vordering van appellant richt zich niet tegen de vakinhoudelijke beoordeling, maar tegen de verwerking van het correctievoorschrift in de normering. Dit valt binnen de bestuursrechtelijke rechtsgang. Het hof vernietigde het vonnis van de voorzieningenrechter voor zover de vordering werd afgewezen en verklaarde appellant niet-ontvankelijk. Tevens wees het hof op de mogelijkheid om bezwaar en beroep te doen bij de bestuursrechter.