Aan belanghebbenden zijn navorderingsaanslagen IB/PVV en VB opgelegd over de jaren 1992 tot en met 2000, met boeten en heffingsrente. Na bezwaar en beroep stelde de rechtbank de verzoeken tot vergoeding van immateriële schade, dwangsom en integrale proceskostenvergoeding af. Belanghebbenden gingen in hoger beroep.
Het Hof oordeelt dat het recht op vergoeding van immateriële schade alleen bestaat indien het geschil aan de rechter is voorgelegd. Nu beroep was ingesteld en de rechtbank een beslissing had genomen, is aan deze voorwaarde voldaan. De overschrijding van de redelijke termijn bedroeg bijna vijf jaar en vier maanden, geheel toe te rekenen aan de bezwaarfase.
De navorderingsaanslagen betroffen samenhangende zaken, waardoor eenmaal een vergoeding van €5.500 passend wordt geacht. Het verzoek om dwangsom wordt afgewezen wegens toepasselijkheid overgangsrecht. De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op €2.922 conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover deze de immateriële schadevergoeding en proceskosten betreft.