Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1291

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
23/385
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 228a GemeentewetArt. 229b GemeentewetArt. 15.33 Wet milieubeheerArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtmatigheid aanslagen riool- en afvalstoffenheffing ondanks betwisting opbrengstlimiet

Belanghebbende is eigenaar van een woning in de gemeente [Y] en ontving aanslagen voor riool- en afvalstoffenheffing over 2020. Hij stelde dat de opbrengstlimiet was overschreden omdat de begroting onjuist was opgesteld, met name door de verwerking van bijdragen uit het BTW-compensatiefonds (BCF).

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar kende belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe. In hoger beroep bevestigde het Hof dat de aanslagen terecht zijn opgelegd. Het Hof oordeelde dat de baten de lasten niet overschrijden wanneer de kosten van overhead en BTW correct worden toegerekend, en dat de bijdrage uit het BCF niet als bate mag worden meegeteld.

Het Hof wees het verzoek om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad af en bevestigde dat de verwerking van het BCF in de begroting geen verstoring van de opbrengstlimiet veroorzaakt. De uitspraak van de rechtbank wordt daarmee bekrachtigd en het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslagen riool- en afvalstoffenheffing worden bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 23/385
9 april 2026
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X], wonende te [Y] , belanghebbende,
tegen de uitspraak van 15 maart 2023 in de zaak met kenmerk HAA 21/2544 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [Y] ,de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen met dagtekening 28 februari 2020 aan belanghebbende voor het jaar 2020 ter zake van het object [straat] te [Y] aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing opgelegd.
1.2.
Bij uitspraak van 6 mei 2021 heeft de heffingsambtenaar het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Tegen de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank. In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank als volgt op het beroep beslist (belanghebbende en de inspecteur worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’ respectievelijk ‘verweerder’):
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot een vergoeding van de door eiser geleden immateriële schade tot een bedrag van € 520;
- veroordeelt de Staat (de minister van Veiligheid en Justitie) tot een vergoeding van de door eiser geleden immateriële schade tot een bedrag van € 230;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht tot een bedrag van € 24,50 aan eiser moet vergoeden, en
- bepaalt dat de Staat (de minister van Veiligheid en Justitie) het griffierecht tot een bedrag van € 24,50 aan eiser moet vergoeden.”
1.4.
Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 24 april 2023 en nader gemotiveerd bij brief van 29 juni 2023.
De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Op 11 februari 2026 heeft belanghebbende een nader stuk ingediend.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:
“1. Eiser is eigenaar van de onroerende zaak [straat] te [Y] (de woning). Verweerder heeft aan eiser als eigenaar en gebruiker van de woning de onderhavige aanslagen in de rioolheffing ten bedrage van € 141,87 (gebruik) respectievelijk € 296,10 (eigendom) opgelegd. Daarnaast heeft verweerder aan eiser de onderhavige aanslagen in de afvalstoffenheffing ten bedrage van in totaal € 754,26 opgelegd. Deze aanslagen heeft verweerder, tezamen met de waardering onroerende zaak-beschikking (WOZ-beschikking) en de aanslag in de onroerendezaakbelasting vermeld op één biljet.
2. De aanslagen rioolheffing zijn gebaseerd op de ‘Verordening rioolheffing [Y] 2020’, vastgesteld door de raad van de gemeente [Y] op
12 december 2019 (Verordening rioolheffing). De aanslagen afvalstoffenheffing zijn gebaseerd op de ‘Verordening afvalstoffenheffing [Y] 2020’, vastgesteld door de raad van de gemeente [Y] op 12 december 2019 (Verordening afvalstoffenheffing).´
2.2.
Het Hof gaat ook uit van de hiervoor vermelde feiten.

3.Geschil in hoger beroep

In geschil is of de aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing terecht zijn opgelegd.
Meer specifiek ligt de vraag voor of de Verordening rioolheffing en de Verordening afvalstoffenheffing geheel of gedeeltelijk onverbindend dienen te worden verklaard wegens overschrijding van de opbrengstlimiet.

4.Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep ter beoordeling voorligt - als volgt overwogen en beslist:

Is de opbrengstlimiet overschreden?
6. Eiser heeft gesteld dat de in geschil zijnde aanslagen gebaseerd zijn op de Verordeningen en dat de in deze Verordeningen opgenomen tarieven gebaseerd zijn op de Begroting. In de Begroting zijn opgenomen als geraamde lasten voor de riolering € 2.983.071 en als geraamde baten voor de riolering € 3.702.851. Als geraamde lasten voor afval is in de Begroting opgenomen € 2.879.964 en als geraamde baten voor afval € 3.719.529. Volgens eiser kan uit de Begroting overduidelijk opgemaakt worden dat in 2020 de begrote baten ruimschoots uitgaan boven de begrote lasten. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat het overschot aan baten, zoals volgt uit de Begroting, voortkomt uit een onjuiste benaderingswijze van het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV) door verweerder, nu hij in de Begroting ten onrechte ‘posten’ als baten toebedeelt, terwijl door de allocatie van kosten deze ‘posten’ aan baten eigenlijk lager zijn dan door verweerder in de Begroting is opgenomen. Deze onjuiste benaderingswijze dient, zo begrijpt de rechtbank, voor rekening en risico van verweerder te blijven en dus, omdat de in de Begroting opgenomen baten de lasten overtreffen, is de opbrengstlimiet overschreden. Hierdoor zijn de Verordeningen in strijd met artikel 229b van de Gemeentewet vastgesteld, wat tot gevolg heeft dat de Verordeningen geheel onverbindend verklaard dienen te worden, aldus eiser. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing.
7. Verweerder stelt dat de opbrengstlimiet niet is overschreden. Verweerder heeft in zijn verweerschrift verklaard dat door wijziging in het BBV voor de gemeente de verplichting is opgenomen om vanaf de begroting voor 2017 in de paragraaf lokale heffingen een overzicht van baten en lasten op te nemen voor de heffingen waarbij sprake is van het verhalen van kosten. Hiervoor is een voorgeschreven uniforme taakveldindeling opgemaakt. Eiser heeft bij zijn berekeningen alleen rekening gehouden met de lasten en baten zoals deze zijn opgenomen in de taakvelden 7.2 en 7.3 van het programma Volksgezondheid en Milieu in de Begroting. Die hebben betrekking op het primaire proces. De huidige richtlijnen van het BBV, waaronder het centraal begroten van de kosten van overhead en btw, maken het onmogelijk om uit alleen die taakvelden de tarieven af te leiden. De berekening of de opbrengstlimiet is overschreden moet extracomptabel geschieden. De toerekening en verantwoording van de lasten en baten is conform de richtlijnen van het BBV en uitgeschreven en toegelicht in de paragrafen lokale heffing, overhead en btw, te vinden in de Programmabegroting. Het positieve saldo van de baten en lasten in de taakvelden 7.2 en 7.3 wordt veroorzaakt doordat aan de baten en lasten de kosten van de taakvelden verkeer en vervoer, inkomensregelingen, overhead en de btw (nog niet) zijn toegerekend, hetgeen voor het bepalen of de opbrengstlimiet is overschreden wel moet gebeuren. Volgens verweerder is met hetgeen hij heeft overgelegd voldoende inzicht verschaft in de geraamde lasten en baten van beide heffingen en zijn de ramingen ook tot de Begroting te herleiden. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
8. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 228a van de Gemeentewet en de bewoordingen van dat artikel blijkt dat, naar de bedoeling van de wetgever, de geraamde baten van de rioolheffing de lasten ter zake niet mogen overtreffen.
9. Ingevolge het bepaalde in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer dient de afvalstoffenheffing ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen. Dit brengt mee dat de opbrengst van de afvalstoffenheffing maximaal kostendekkend mag zijn en niet mag worden aangewend voor andere doeleinden dan die ter bestrijding van de kosten die verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen. De tarieven moeten zodanig worden vastgesteld dat de geraamde baten de geraamde lasten ter zake niet overschrijden. Daarbij worden dezelfde uitgangspunten voor de verdeling van de stelplicht en de bewijslast gehanteerd als die welke gelden voor de toetsing aan de in artikel 229b van de Gemeentewet voorgeschreven opbrengstlimiet.
10. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de geraamde opbrengst van de rioolheffing respectievelijk de afvalstoffenheffing niet hoger mag zijn dan de geraamde kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan de activiteiten die in artikel 228a van de Gemeentewet respectievelijk artikel 15.33 van de Wet milieubeheer zijn genoemd (de opbrengstlimiet).
11. Het is aan verweerder om, wanneer in geschil is of de opbrengstlimiet is overschreden, inzicht te verschaffen in de desbetreffende ramingen. Dat inzicht kan worden verschaft op basis van de Begroting, maar ook op basis van andere gegevens, waaronder ook gegevens die niet bekend zijn gemaakt op het moment van de vaststelling van de verordening (vgl. Hoge Raad, 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1986 en Hoge Raad, 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1236). Wel moet het gaan om gegevens die zijn terug te voeren op de baten en lasten die in de Begroting zijn opgenomen. De Begroting dient als uitgangspunt voor de ramingen (vgl. Hoge Raad, 6 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR0707). Indien eiser ten aanzien van één of meer posten in de ramingen in twijfel trekt of de post kan worden aangemerkt als een ‘last ter zake’ dient verweerder een nadere toelichting over die post te verstrekken om die twijfel (naar vermogen) weg te kunnen nemen. Verweerder hoeft daarbij niet te bewijzen dat de twijfel ongegrond is, maar hij moet in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is (naar vermogen) duidelijk maken op grond waarvan hij de stellingen van eiser betwist en de twijfel ongegrond is (vgl. Hoge Raad,
4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777).
12. Verweerder heeft in zijn verweerschrift per heffing een toelichting gegeven op de Programmabegroting en Beheersbegroting 2020. De Programmabegroting bevat een overzicht recapitulatie taakvelden naar programma’s. Aan die recapitulatie liggen de Beheersbegroting 2020 en de ‘Toerekening overhead’ en ‘Toerekening BTW’ ten grondslag. Dit zijn overzichten van de baten en lasten op grootboekniveau.
13. In paragraaf 1.2 ‘lokale heffingen’ van de Programmabegroting is, onder andere, het volgende overzicht opgenomen met betrekking tot de rioolheffing:
Berekening van kostendekkendheid van de rioolheffing
%
Kosten taakveld 7.2 Riolering, incl. omslagrente
-2.983.071
Kosten taakveld 2.1 Verkeer en vervoer
-147.185
Kosten taakveld 6.3 Inkomensregelingen
-32
Inkomsten taakveld 7.2 Riolering, excl. heffingen
527.969
Inkomsten taakveld 0.10 Mutaties reserves
147.956
Netto kosten
-2.486.331
Toe te rekenen kosten:
Overhead incl. omslagrente
-234.495
BTW
-454.056
Totale kosten
-3.174.882
100%
Opbrengst heffingen
2.917.704
Dekkingspercentage
92%
Inkomsten taakveld 7.2 Riolering, bijdrage uit voorziening
257.178
8%
Ter zake van de afvalstoffenheffing is het volgende overzicht opgenomen in de Programmabegroting:
Berekening van kostendekkendheid van de afvalstoffenheffing
%
Kosten taakveld 7.3 Afval, incl. omslagrente
-2.879.964
Kosten taakveld 2.1 Verkeer en vervoer
-147.185
Kosten taakveld 6.3 Inkomensregelingen
-60
Inkomsten taakveld 7.3 Afval, excl. heffingen
648.841
Netto kosten
-2.438.308
Toe te rekenen kosten:
Overhead incl. omslagrente
-115.985
BTW
-516.395
Totale kosten
-3.070.688
100%
Opbrengst heffingen
3.070.688
Dekkingspercentage
100%
14. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat hij de in de Programmabegroting en Beheersbegroting opgenomen baten en lasten als zodanig niet betwist. De vaststelling hiervan is aan de gemeenteraad, aldus eiser, en hij heeft geen aanleiding te veronderstellen dat hier onjuistheden in zitten. Uit de door verweerder verstrekte Beheersbegroting en Programmabegroting 2020, en de daarop gegeven toelichting, volgt dat na toerekening van alle baten en lasten, inclusief toerekenbare kosten van andere taakvelden, overhead en btw, de opbrengst van de rioolheffing in 2020 slechts 92% van de kosten dekt (welk tekort wordt gedekt door een onttrekking uit de reserve), terwijl voor de afvalstoffenheffing de opbrengsten en lasten in evenwicht zijn. Daarbij zijn bepaalde inkomsten weergegeven aan de lastenzijde in het overzicht in de Programmabegroting, terwijl deze in de Beheersbegroting zijn gepresenteerd aan de batenzijde als opbrengsten. De wijze van weergeven en verwerken van baten en lasten in de Programmabegroting is ingegeven door een bepaalde wijze van toepassen van boekhoudkundige regels door verweerder, maar dat maakt het vorenstaande niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende toegelicht hoe de paragraaf lokale heffingen van de Programmabegroting is opgesteld en op welke wijze deze aansluit op de cijfers in de Beheersbegroting en de administratie van verweerder. Ook de overzichten ‘Toerekening Overhead’ en ‘Toerekening BTW’ voor zowel de riool- als afvalstoffenheffing geven voldoende inzicht in de toerekening van deze kosten aan de riool- en afvalstoffenheffing. In deze overzichten is duidelijk weergegeven welke kosten aan de heffingen zijn toegerekend en verweerder heeft ook toegelicht waarom en hoe deze kosten aan de beide heffingen zijn toegerekend.
15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de door hem overgelegde gegevens zowel ten aanzien van de rioolheffing als de afvalstoffenheffing voldoende inzicht heeft verschaft in de ramingen en dat de opbrengstlimiet niet is overschreden. Eisers stelling dat de opbrengstlimiet is overschreden faalt op die grond.

5.Beoordeling van het geschil

5.1.
Op 27 juni 2025 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in de zaken met kenmerken 23/04918 en 23/04919 van de heer [naam] (hierna: [naam] ). De beroepen in cassatie zijn door de Hoge Raad onder toepassing van artikel 81, lid 1, Wet op de rechterlijke organisatie ongegrond verklaard (vgl. ECLI:NL:HR:2025:996 en ECLI:NL:HR:2025:997). Omdat belanghebbende vindt dat hij met deze arresten wederom geen antwoord heeft gekregen op een volgens hem prangende rechtsvraag, zijn de voorliggende aanslagen aanleiding om zijn standpunt in dezen te verduidelijken.
5.2.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat het ervoor moet worden gehouden dat met betrekking tot zowel de gemeentelijke rioleringstaken als de gemeentelijke afvaltaken de geraamde baten (ver) uitstijgen boven de geraamde lasten ter zake door de wijze waarop de gemeente [Y] bijdragen uit het BTW-compensatiefonds (hierna: BCF) in de begroting voor het jaar 2020 heeft verwerkt. Volgens belanghebbende moet slechts op de gemeentelijke begroting, als vastgesteld door de gemeenteraad, acht worden geslagen bij de beoordeling of de in de artikelen 228a Gemeentewet en 15.33 Wet milieubeheer besloten liggende opbrengstlimiet is overschreden.
5.3.
Belanghebbendes betoog faalt, en wel om het volgende:
5.4.1.
De btw die als gevolg van de Wet op het BCF recht geeft op een bijdrage uit het BCF, is niet een last welke drukt op de gemeentelijke begroting maar een post die uitsluitend op grond van het bepaalde in artikel 228a, lid 3, Gemeentewet dan wel artikel 15.33, lid 3, Wet milieubeheer tot de kosten ter zake van de riolering en de afvalstoffen wordt gerekend. In de parlementaire geschiedenis is dit uitdrukkelijk aan de orde gekomen:
“Sinds de introductie van het BTW-compensatiefonds krijgen de gemeenten compensatie voor bepaalde kosten die worden verhaald door middel van rechten op grond van artikel 229 Gemeentewet Pro of artikel 15.33 Wm, namelijk voorzover daar een BTW-component in zit. Tegelijkertijd met de invoering van dat fonds heeft een uitname uit het gemeentefonds plaatsgevonden. Als gevolg daarvan zou het kostenniveau dat relevant is voor de bepaling van de maximale tarieven van de kostendekkende heffingen zonder wetswijziging in de toekomst lager uitgekomen zijn. Hierdoor hadden gemeenten – in het geval zij een tarief hanteerden dat een vrijwel kostendekkend niveau kent – de tarieven van de heffingen moeten verlagen. Door een aanpassing van de betreffende artikelen is bij die gelegenheid een lastenverschuiving, die gevolg zou kunnen zijn van de invoering van het BTW-compensatiefonds, voorkomen.” (Kamerstukken II 2005/06, 30 578, nr. 3, p. 41).
5.4.2.
Bij de beoordeling of de opbrengstlimiet van artikel 228a Gemeentewet of artikel 15.33 Wet milieubeheer is overschreden, mag btw waarvoor recht op een bijdrage uit het BCF bestaat derhalve – en buiten de gemeentelijke begroting om – aanvullend als ‘last ter zake’ in aanmerking worden genomen (vgl. HR 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1016).
De bijdrage uit het BCF hoeft daartegenover niet in aanmerking te worden genomen als ‘bate ter zake’ dan wel als negatieve ‘last ter zake’, ongeacht de wijze waarop zij in de gemeentelijke begroting wordt verwerkt. Zou daarentegen de bijdrage uit het BCF wel als bate moeten worden verantwoord, dan zou daarmee de werking van de artikelen 228a, lid 3, Gemeentewet en 15.33, lid 3, Wet milieubeheer onmiddellijk weer teniet worden gedaan, wat in strijd komt met de uitdrukkelijke bedoeling die aan die artikelen ten grondslag ligt.
5.4.3.
De conclusie luidt daarom dat het achteraf alsnog in aanmerking nemen van compensabele btw in de ramingen voor een vastgestelde rioolheffing en afvalstoffenheffing, geen wijziging in de begroting van de gemeente meebrengt en niet leidt tot de door belanghebbende gestelde verstoring van het evenwicht tussen lasten en opbrengsten (vgl. HR 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1016).
5.5.
Belanghebbende heeft het Hof verzocht om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voor te leggen. Het Hof ziet daarvoor gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen aanleiding en wijst dat verzoek af.
Slotsom
5.6.
De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6.6. Kosten

Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. N. Djebali, voorzitter, R.C.H.M. Lips en W.J. Blokland, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier.
De beslissing is op 9 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: