Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
174 m² en het perceel is ongeveer 299 m². De woning is voorzien van twee dakkapellen en een overkapping.
[straat 2] 8, alsmede met [straat 5] en [straat 2] 9 te [Z] . Deze drie vergelijkingsobjecten zijn net als de woning twee-onder-een-kapwoningen uit de jaren twintig en de twee vergelijkingsobjecten in de [straat 2] zijn dichtbij de woning gelegen in dezelfde buurt. Tevens zijn de indexeringspercentages bijgevoegd.
3.Geschil in hoger beroep
4.Het oordeel van de rechtbank
Grondstaffel, matrix en taxatieverslag
5.Beoordeling van het geschil
Dit gelet op de door de heffingsambtenaar in zijn (hoger)beroepschrift gegeven toelichting, de verkoopprijzen en de overige in de matrix die in beroepsfase door de heffingsambtenaar is overgelegd opgenomen gegevens van de woning en de vergelijkingsobjecten, vooral de verkoop van [straat 2] 8 (binnen een jaar vóór de waardepeildatum) en [straat 2] 9 (ruim anderhalf jaar vóór de waardepeildatum). Hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dat kwaliteits-, onderhouds- en voorzieningenniveau van [straat 2] 8 en 9 te [Z] op bovengemiddeld hadden moeten worden gesteld, heeft belanghebbende met de in hoger beroep ingebrachte stukken niet aannemelijk gemaakt en wordt door de heffingsambtenaar betwist, onder meer onder verwijzing naar de energielabels van deze woningen (E respectievelijk F). Het Hof brengt daarnaast in herinnering dat de WOZ-waardering een inschatting van de waarde van de woning als geheel is, die niet op grond van een wiskundige formule exact kan worden berekend. De heffingsambtenaar heeft, ook in het licht van hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.
6.Kosten
17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 en het bestreden besluit (d.w.z. de WOZ-beschikking, zie HR 28 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:465, r.o. 2.2) in stand blijft, dient het bedrag van € 453,50 met een factor 0,10 vermenigvuldigd te worden. Dit leidt tot een kostenvergoeding in hoger beroep van € 45,35.
7.Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar, doch uitsluitend voor zover het de beslissing inzake de kostenvergoeding betreft;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.759,36 (= € 1.260,51 voor bezwaar, € 453,50 voor beroep en € 45,35 voor hoger beroep); en
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht voor het beroep van € 50 en het hoger beroep van € 138 aan belanghebbende te vergoeden.
16 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.