De zaak betreft een cassatieprocedure tussen belanghebbende en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht over een proceskostenvergoeding in een bestuursrechtelijke belastingzaak.
De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest van 31 januari 2025 waarin is bepaald dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven en dat verwijzing noodzakelijk is. De Hoge Raad heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken om aan te tonen dat sprake is van een bijzonder geval voor een hogere proceskostenvergoeding, maar belanghebbende heeft hier geen gebruik van gemaakt.
Daarom wordt aangenomen dat geen bijzonder geval aanwezig is en wordt de vergoeding berekend volgens de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, met toepassing van een vermenigvuldigingsfactor van 0,10. De Hoge Raad veroordeelt het college tot vergoeding van het griffierecht en de helft van de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Den Haag en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling van het verzet met inachtneming van dit arrest.
Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2025.