Uitspraak
mr. G.J.R. Kalsbeeken
mr. I.J. Rozendal, beiden kantoorhoudende te Rotterdam,
mr. R.G.J. de Haan,
mr. M. Keuperen
mr. K.I.M. van Leusden, allen kantoorhoudende te Amsterdam,
2 [E] ,
mr. R.G.J. de Haan,
mr. M. Keuperen
mr. B.S.D. Sanders, allen kantoorhoudende te Amsterdam,
7 [J] ,
mr. V.R.M. Appelmanen
mr. T.R. Bosker, beiden kantoorhoudende te Rotterdam,
mr. G.J.R. Kalsbeeken
mr. I.J. Rozendal, beiden kantoorhoudende te Rotterdam,
- verzoeksters ieder afzonderlijk als [A] , [B] en [C] , en gezamenlijk als [P c.s.] ;
- de ubo van [A] als [R] ;
- de ubo van [B] als [S] ;
- de ubo van [C] als [T] ;
- verweersters ieder afzonderlijk als BBBZ en als Steenfabriek, en gezamenlijk als Steenfabriek c.s.;
- [H] , de bestuurder van Steenfabriek, als [H] ;
- [I] , de bestuurder van BBBZ, als [I] ;
- belanghebbenden sub 1 t/m 6 ieder afzonderlijk als STAK, [E] , [F] , [G] , [H] en [I] ;
- Steenfabriek c.s. en belanghebbenden sub 2 t/m 6 gezamenlijk als BBBZ c.s.;
- belanghebbende sub 7 als [J] ;
- belanghebbende sub 10 als [M] ;
- belanghebbende sub 11 als [N] ; en
- belanghebbende sub 12 als [O]
Het verloop van het geding
2 Inleiding en feiten
mede” op de continuïteit van de met Steenfabriek verbonden onderneming (art. 2 lid 1 en Pro 2). Het bestuur bestaat uit drie bestuurders, te weten:
- [M] : 31,34% (sedert 20 december 2022, voorheen gehouden door [A] en [AA] , ubo: [V] , dochter van [R] , die naast zijn dochter bestuurder is van [M] );
- [B] : 12,0933% (sedert 17 december 2022, ubo: [S] );
- [N] : 12,0933% (sedert 17 december 2022, ubo: [W] , zoon van [S] );
- [O] : 12,0933% (sedert 17 december 2022, ubo: [X] , dochter van [S] );
- [C] : 11,58% (ubo: [T] ); en
- [L] : 10,44% (ubo: [H] ).
de basis getallen’van de investering toegestuurd, waaronder een terugverdientijd van 6.96 jaar en een totaal begrote investering van € 5.5 miljoen.
‘dat het goed zou zijn als de certificaathouders inzicht zouden hebben in de relatieve prestaties van[Steenfabriek]
ten opzichte van de concurrentie.’[F] heeft gereageerd door op te merken dat de jaarrekeningen en bijbehorende toelichting
‘ruim voldoende informatie aan de certificaathouders verstrekken om te kunnen beoordelen hoe de Steenfabriek in zijn totaliteit heeft gepresteerd’en dat een benchmark van de beleggingen is opgenomen in de halfjaarlijkse rapportage van Insinger Gillissen, die wordt verstrekt aan [I] en gedeeld met de commissarissen van BBBZ. Ook heeft [J] opgemerkt dat de certificaathouders het gevoel hebben niet of onvoldoende te worden geïnformeerd en betrokken. Daarop liet [F] weten dat de certificaathouders recht hebben op de voor hen noodzakelijke informatie, maar dat de bevoegdheid om (mee) te besturen bij andere organen ligt. Er is afgesproken dat de kwartaalrapportages van Steenfabriek en notulen van de STAK-vergaderingen via [J] met de certificaathouders worden gedeeld.
‘in een ander gremium aan de orde is’en de profielschets
‘geen zaak is waar het STAK-bestuur over gaat’.
afgepast antwoorden en liefst opschieten”, waarbinnen een open discussie niet mogelijk is en op onjuiste gronden wordt afgewezen. Deelname aan overleg met Insinger Gilissen wijst [J] af, om te voorkomen dat hij
‘zelf[wordt]
meegetrokken in een dubbelrol (of meerdere).’
‘ruim meer dividend is uitgekeerd dan op basis van het standaard beleid het geval zou zijn’.
“(…) Jullie blokkeren als bestuurders van het STAK dat het STAK haar aandeelhoudersrechten kan uitoefenen. Het lijken me namelijk meer dan valide vragen vanuit een aandeelhouder (1) waarom het bestuur van BBBZ het beleggingsprofiel verandert en wat daaraan ten grondslag ligt, (2) waarom het mandaat van Insinger Gillissen is verdubbeld en welk (ondernemings- of investerings)plan aan het handhaven van een dergelijk vermogen ten grondslag ligt in plaats van het uitkeren van een deel van het vermogen, en (3) hoe de performance van Insinger Gillissen wordt gemeten, (4) welke rol de RvC in dit alles heeft gespeeld. Ook is het geen rare vraag van een aandeelhouder dat het rendement van een aanzienlijke investering in bijvoorbeeld zonnepanelen wordt gemeten en daarover wordt gerapporteerd. BBBZ als aandeelhouder zou daarnaar moeten vragen en als het bestuur van BBBZ dat nalaat dan mag het STAK het bestuur van BBBZ daarover vragen stellen. (…) Ik zie niet welk (zwaarwichtig) belang van de vennootschap zich ertegen verzet om de gevraagde informatie te verschaffen. (…) Ook is het in mijn optiek valide dat een aandeelhouder vraagt naar en betrokken is bij (veranderingen in) het proces voor de selectie van een nieuwe commissaris, ook als het een dochter betreft. Zeker bij een aandeelhouder in een familie vennootschap als deze. Het is in mijn ogen onbestaanbaar dat de aandeelhouder achteraf wordt geïnformeerd over de benoeming van een commissaris bij de dochter van de holding. (…)
3 Het onderzoeksverslag
4.De gronden van de beslissing
de facto) decertificering heeft ingezet. Wel heeft hij ingezet op verbetering van de governance.
onvoldoende oog heeft voor het verschil tussen het zijn van bestuurder van de STAK, van commissaris van de Steenfabriek of zelfs van financieel bestuurder van de Steenfabriek. De gedetailleerdheid van de vragen en het soort vragen die gesteld worden, die geven mij de indruk dat hij onvoldoende het verschil tussen die rollen voor ogen heeft: bestuurder van de STAK, commissaris of zelfs financieel bestuurder.”
om te voorkomen dat de certificaathouders via de STAK de benoeming bij BBBZ vanwege de OK-procedure zouden dwarsbomen”. Deze zinsnede laat over de intentie van (in ieder geval) [F] geen misverstand bestaan. Zijn doel was kennelijk het buitensluiten van certificaathouders bij de benoeming van [G] , met als middel het buitensluiten van [J] . Het feit dat de certificaathouders zelf te kennen hadden gegeven af te zien van gesprekken met Quaestus vormt daarvoor onvoldoende rechtvaardiging. Deze gang van zaken strookt niet met hetgeen de Ondernemingskamer onder r.o. 3.8 van de eerstefasebeschikking overwoog en moet daarom als een onjuiste gang van zaken worden aangemerkt.
de factoneer op decertificering, hetgeen zij uitdrukkelijk niet in het belang van BBBZ c.s. achten. Andere wijzigingen in het STAK-bestuur zijn voor hen wel bespreekbaar en zij hebben een voorstel gedaan dat alle bezwaren van [P c.s.] zou moeten wegnemen.
de factodecertificering, maar dat kan niet als wanbeleid worden aangemerkt. Na een jarenlange voorgeschiedenis van familieleden die niet op een lijn zaten is binnen de [familie Q] uiteindelijk voor certificering besloten. Dat BBBZ c.s. de certificering hoe dan ook in stand willen laten vormt, alleen al vanwege de thans bestaande conflictueuze familieverhoudingen tussen de certificaathouders, bepaald geen onjuist beleid, laat staan wanbeleid. De bestaande conflicten kunnen in de huidige structuur immers de continuïteit van de onderneming niet in gevaar brengen.