Belanghebbende voerde hoger beroep tegen een naheffingsaanslag BPM van €45.905 opgelegd door de inspecteur, omdat het voertuig volgens hem als gebruikt moest worden aangemerkt. Het voertuig was in juli 2010 voor het eerst toegelaten in de VS, maar werd pas in juni 2014 in Nederland geregistreerd met een kilometerstand van 195 km.
De rechtbank had geoordeeld dat het voertuig als nieuw moest worden beschouwd, omdat het na vervaardiging niet of nauwelijks was gebruikt. Het Hof onderschrijft dit oordeel en verwijst naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat een auto met minimale gebruikssporen als nieuw geldt, ongeacht eerdere registratie in het buitenland of de tijd tussen toelating en registratie.
Belanghebbende stelde dat het voertuig tweedehands was en dat het historische BPM-tarief van 2010 toegepast moest worden, maar dit werd verworpen. Ook de stelling dat de rechtspraak van de Hoge Raad strijdig zou zijn met EU-recht werd niet gevolgd. Het Hof bevestigt dat de BPM-heffing terecht is gebaseerd op het tarief van 2014, het jaar van registratie in Nederland.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.