ECLI:NL:GHAMS:2018:3721
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid MKB-winstvrijstelling bij verlies uit onderneming
Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting 2012, waarin de MKB-winstvrijstelling werd toegepast op een verlies uit onderneming. Na een vermindering van de aanslag door de inspecteur bleef belanghebbende van mening dat de aanslag onjuist was en stelde dat de toepassing van de MKB-winstvrijstelling bij verlies in strijd was met het gelijkheidsbeginsel van het EVRM.
In hoger beroep stelde belanghebbende ook dat de inspecteur niet bevoegd was de aanslag op te leggen, omdat belastinggelden zouden worden gebruikt voor onrechtmatige doelen. Daarnaast klaagde hij over het niet horen voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar.
Het Hof oordeelde dat de inspecteur wel bevoegd is en dat het verzoek om uitstel voor verder onderzoek naar internationaal terrorisme ongegrond was. Het Hof bevestigde dat het onderscheid in de toepassing van de MKB-winstvrijstelling bij verlies en winst een redelijke en objectieve rechtvaardiging heeft en dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Ook werd geoordeeld dat het achterwege laten van een hoorgesprek niet tot benadeling heeft geleid. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.