Uitspraak
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
1.Risiko des Bekanntwerdens
(Hof: Zwitserland)und in Deutschland.
(Hof: transactie 3 en 4)
(Hof: transactie 4 en 5);
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende, een Duitse GmbH actief in de handel van bevroren pluimveevlees, stelde hoger beroep in tegen uitspraken van de rechtbank Noord-Holland die haar beroepen tegen navorderingen aanvullende invoerrechten ongegrond verklaarden. De inspecteur had navorderingen opgelegd omdat de CIF-invoerprijs in de aangiften kunstmatig was verhoogd via een complexe transactiestructuur met dochterondernemingen en gelieerde partijen in Zwitserland en Uruguay, met als doel invoerrechten te ontduiken.
Het hof stelde vast dat de transacties tussen de betrokken vennootschappen niet normale handelstransacties waren, maar een opzet om de aanvullende rechten te vermijden. De werkelijke CIF-invoerprijs moest worden vastgesteld op basis van de prijs tussen de onafhankelijke Braziliaanse leverancier en de Zwitserse vennootschap. Belanghebbende was terecht als schuldenaar aangemerkt omdat zij wist of redelijkerwijs had moeten weten dat onjuiste gegevens werden verstrekt.
De verlengde navorderingstermijn van vijf jaar was op goede gronden toegepast omdat de douaneschuld was ontstaan door strafrechtelijk vervolgbare handelingen gericht op ontduiking. Het hof verwierp de bezwaren van belanghebbende tegen de wettelijke grondslag van het schuldenaarschap en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de navorderingen aanvullende invoerrechten worden bevestigd.