ECLI:NL:CRVB:2026:795
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens niet-duurzaam ontbreken arbeidsvermogen
Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan op grond van duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Het UWV weigerde deze uitkering omdat het arbeidsvermogen niet duurzaam ontbrak, wat door de rechtbank werd bevestigd. Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV onjuiste aannames deed en onvoldoende rekening hield met zijn medische situatie.
De Raad oordeelt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is, omdat er een redelijke kans op verbetering bestaat door behandeling van onder meer PTSS, PNEA en sociale angststoornis. De Raad onderschrijft het beoordelingskader van het UWV en het oordeel van de rechtbank dat de medische en arbeidskundige onderzoeken zorgvuldig zijn uitgevoerd.
De Raad wijst erop dat duurzaamheid betekent dat mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen. Het UWV hoeft niet te bewijzen dat arbeidsvermogen zal terugkeren, maar moet aannemelijk maken dat dit niet is uitgesloten. Appellant heeft onvoldoende medische stukken overgelegd die het oordeel van het UWV ondermijnen.
De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 10 juni 2026.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering omdat het arbeidsvermogen van appellant niet duurzaam ontbreekt.