ECLI:NL:CRVB:2021:1634
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling duurzaamheid arbeidsvermogen voor Wajong-uitkering afgewezen
Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan vanwege een forse beperking aan de rechterarm en een verstandelijke beperking. Het UWV weigerde de uitkering omdat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam werd geacht, mede op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en volgde het deskundigenrapport dat stelde dat met adequate revalidatiebehandeling de belastbaarheid kan toenemen en arbeidsparticipatie mogelijk is. Appellant ging in hoger beroep tegen deze beoordeling en voerde aan dat er geen behandelbare orthopedische opties meer zijn en dat prognose onzeker is.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat uit de Wajong-wetgeving niet volgt dat vast moet staan dat appellant in de toekomst arbeidsvermogen zal genereren, maar dat het voldoende is dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich kunnen ontwikkelen. De Raad vond de deskundigenrapporten en het oordeel van de rechtbank inzichtelijk en deugdelijk gemotiveerd. De stelling van appellant dat de behandelingen geen effect hadden, kon niet leiden tot een ander oordeel omdat het moment van beoordeling leidend is.
De Raad bevestigde daarom het oordeel dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden voor een Wajong-uitkering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van een Wajong-uitkering bevestigd.