ECLI:NL:CRVB:2026:72

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
24/2589 TW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering van toeslag door het Uwv en oplegging van boete wegens schending van inlichtingenplicht

In deze zaak gaat het om de herziening van de toeslag van appellante door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) over de periode van 1 maart 2017 tot en met 31 december 2022. Appellante ontving sinds 22 maart 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW). Na een melding dat appellante alleenstaand was, heeft het Uwv een onderzoek ingesteld en vastgesteld dat appellante haar ex-partner niet had gemeld, wat leidde tot de beëindiging van de toeslag per 27 maart 2017. Het Uwv heeft vervolgens een bedrag van € 24.760,- aan onverschuldigd betaalde toeslag teruggevorderd en een boete van € 2.520,- opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank heeft de beroepen tegen deze besluiten ongegrond verklaard, maar appellante is in hoger beroep gegaan. De Raad heeft de zaak behandeld en geconcludeerd dat het Uwv terecht de toeslag heeft herzien en de boete heeft opgelegd. De Raad heeft de aangevallen uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de boete, en het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, waardoor de boete is verlaagd naar € 1.219,-. De Raad heeft ook geoordeeld dat appellante recht heeft op vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 oktober 2024, 23/6766 en 24/784 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de toeslag van appellante over de periode van 1 maart 2017 tot en met 31 december 2022 terecht heeft herzien en het hierdoor onverschuldigd betaalde bedrag aan toeslag van haar heeft teruggevorderd. Daarnaast gaat het over de vraag of het Uwv terecht een boete heeft opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht. De Raad beantwoordt deze vragen bevestigend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Berkel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Op 11 maart 2025 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellante heeft hierop gereageerd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 december 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. V.C.D. Klaassen, advocaat en kantoorgenoot van mr. Berkel. Als tolk was [X], de nicht van appellante, aanwezig. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellante ontvangt sinds 22 maart 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en in aanvulling daarop een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW). Na het invullen van een wijzigingsformulier, waarop appellante had vermeld dat zij met ingang van 6 augustus 2012 is gaan samenwonen, heeft het Uwv de toeslag van appellante vanaf 1 april 2012 verhoogd naar de norm voor gehuwde met een kind onder de 12 jaar.
1.2.
Naar aanleiding van een melding dat appellante al geruime tijd alleenstaand is, heeft het Uwv een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende toeslag. Het Uwv heeft onder andere op basis van gegevens uit Suwinet vastgesteld dat de ex-partner van appellante sinds 27 maart 2017 niet meer op hetzelfde adres woont als appellante. Appellante heeft deze wijziging niet aan het Uwv doorgegeven. Om deze reden heeft het Uwv bij besluit van 27 februari 2023 de toeslag van appellante beëindigd per 27 maart 2017.
1.3.
Bij besluit van 16 maart 2023 (besluit 1) heeft het Uwv vastgesteld dat appelante over de periode 1 maart 2017 tot en met 31 december 2022 geen recht had op een toeslag naar de norm voor gehuwde met een kind onder de 12 jaar en de toeslag van appellante over deze periode herzien en een bedrag van € 24.760,- bruto aan onverschuldigd betaalde toeslag teruggevorderd. Bij afzonderlijk besluit van 16 maart 2023 (besluit 2) heeft het Uwv appellante een boete opgelegd van € 2.520,- wegens schending van haar inlichtingenplicht.
1.4.
Bij besluit van 30 augustus 2023 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen besluit 1 ongegrond verklaard. Bij besluit van 8 december 2023 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen besluit 2 eveneens ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht vastgesteld dat appellante ten onrechte over de periode in geding toeslag heeft ontvangen uitgaande van een situatie van een gehuwde met een kind onder de 12 jaar. Volgens de rechtbank is appellante meerdere keren gewezen op het feit dat zij wijzigingen die van invloed kunnen zijn op het recht op toeslag binnen een week aan het Uwv dient te melden. Appellante heeft het Uwv niet ingelicht over het vertrek van haar ex-partner per 27 maart 2017. De rechtbank heeft appellante niet in haar standpunt gevolgd dat het Uwv op grond van de wijziging van gegevens in de Basisregistratie Personen (BRP) opnieuw haar recht op toeslag had moeten herzien. Naar vaste rechtspraak [1] geldt dat het feit dat het Uwv kennis had kunnen nemen van de uitschrijving in de BRP van haar ex-partner op haar woonadres per 27 maart 2017, niet betekent dat appellante wijzigingen die relevant zijn voor het recht op of de hoogte van de toeslag, niet meer hoeft door te geven aan het Uwv. Dat dit redelijkerwijs niet duidelijk was voor appellante, heeft de rechtbank niet gevolgd. Verder valt volgens de rechtbank niet uit de stukken op te maken dat de ex-partner van appellante over financiële middelen beschikte en dat appellante door zijn vertrek deze financiële middelen heeft verloren. Het Uwv is volgens de rechtbank verplicht de toeslag die als gevolg van een besluit onverschuldigd is betaald, terug te vorderen. Het Uwv heeft terecht geen dringende redenen gezien om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante haar inlichtingenplicht geschonden en kan haar daarvan een verwijt worden gemaakt, waardoor het Uwv gehouden was een boete op te leggen. Het Uwv heeft volgens de rechtbank voldoende toegelicht dat bij de oplegging van de boete rekening is gehouden met de financiële draagkracht van appellante. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om op grond van dringende redenen de boete verder te matigen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij stelt zich op het standpunt dat het Uwv ten onrechte de toeslag heeft herzien en teruggevorderd. Appellante betwist dat zij haar inlichtingenplicht heeft geschonden. Appellante meent dat de adreswijziging voor het Uwv kenbaar moest zijn, omdat die in de BRP was vastgelegd. Ook wist appellante niet dat de wijziging invloed had op haar toeslag, omdat geen sprake is geweest van financieel voordeel. Ter zitting heeft appellante verder aangevoerd dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met haar bijzondere kwetsbaarheid, haar financiële draagkracht en verdere persoonlijke omstandigheden.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft naar aanleiding van de gronden in hoger beroep op 11 maart 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen waarbij bestreden besluit 2 wordt herroepen en de boete is verlaagd naar € 1.219,-. Het Uwv heeft bestreden besluit 1 gehandhaafd.

Het oordeel van de Raad

5. Met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 11 maart 2025 heeft het Uwv bestreden besluit 2 niet langer gehandhaafd. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak, waarbij de rechtbank een oordeel heeft gegeven over dit besluit, niet in stand kan blijven. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen, het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaren, dit besluit vernietigen en het Uwv veroordelen in de proceskosten van appellante. Omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar niet volledig tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellante, wordt dit besluit met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, van rechtswege in de procedure betrokken.
5.1.
De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.2.
Bij besluiten tot herziening en terugvordering met terugwerkende kracht, zoals hier aan de orde, gaat het om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is de nodige kennis over de relevante feiten te verzamelen. Dat betekent dat het in beginsel aan het Uwv is om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarde voor herziening en terugvordering is voldaan. Dit brengt met zich mee dat het Uwv feiten moet aandragen die aannemelijk maken dat als gevolg van het door appellante niet nakomen van de inlichtingenverplichting, zoals bedoeld in artikel 12 van de TW, van haar recht op een toeslag ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld. Als het Uwv aan deze bewijslast heeft voldaan, is het vervolgens aan appellante om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.
5.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellante vanaf 1 april 2012 een toeslag ontving naar de norm voor gehuwde met een kind jonger dan 12 jaar. Ook is niet in geschil dat de ex-partner van appellante per 27 maart 2017 staat ingeschreven op een ander adres en dat appellante dit niet heeft gemeld aan het Uwv. Het geschil tussen partijen richt zich op de vraag of appellante de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden, omdat zij redelijkerwijs had moeten weten dat zij de adreswijziging van haar ex-partner had moeten doorgeven, omdat dit van invloed is op de hoogte van de door haar ontvangen toeslag.
5.4.
Het oordeel van de rechtbank dat appellante haar inlichtingenplicht heeft geschonden, wordt onderschreven. Zoals de rechtbank heeft overwogen, volgt uit vaste rechtspraak dat het feit dat het Uwv kennis had kunnen nemen van de adreswijziging in de BRP, niet betekent dat appellante de adreswijziging niet had moeten doorgeven. [2] In de besluiten van 7 september 2012 en 9 augustus 2013 is appellante er uitdrukkelijk op gewezen dat zij wijzigingen aan het Uwv moest doorgeven, waarbij specifiek werd verwezen naar wijzigingen in de leefsituatie, en op welke manier dit moest. Eveneens is appellante gewezen op de verplichting om wijzigingen door te geven in de betaalspecificaties van haar WAO-uitkering en toeslag van 2017. Daarom was het Uwv in beginsel gehouden de toeslag van appellante te herzien en de onverschuldigd betaalde toeslag van appellante terug te vorderen. Dit is slechts anders indien sprake is van een dringende reden.
5.5.
Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 [3] heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden (voortaan) als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en/of terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.
5.6.
Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv geen aanleiding hoeven zien om op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van de herziening en/of terugvordering af te zien. Het Uwv heeft in de situatie van appellante zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de herziening en terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende meegewogen. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de oorzaak is gelegen in het feit dat appellante haar inlichtingenplicht heeft geschonden. Het standpunt van appellante ter zitting dat zij bijzonder kwetsbaar is en dat daarmee rekening dient te worden gehouden, maakt dit niet anders nu zij deze omstandigheid niet heeft onderbouwd met objectieve gegevens. Dat het Uwv reeds op de hoogte was van de (medische) achtergrond van appellante, maakt niet dat appellante haar standpunt niet nader diende te onderbouwen. Ook de stelling van appellante dat zij meer financiële problemen ervaart nu haar ex-partner is verhuisd en de toeslag is herzien en teruggevorderd, is niet met nadere stukken onderbouwd. Bovendien heeft het Uwv bij de invordering de betalingsregeling afgestemd op de financiële omstandigheden en aflossingscapaciteit van appellante. Gelet hierop is er geen aanleiding om in dit geval de (financiële) gevolgen van het herzienings- en terugvorderingsbesluit voor appellante als onevenredig te beoordelen.
5.7.
Volgens vaste rechtspraak is de bewijslast voor het opleggen van een boete zwaarder dan die bij de toepassing van de bevoegdheid tot beëindiging, herziening of intrekking van een uitkering op de grond dat de inlichtingenplicht is geschonden en van de bevoegdheid tot terugvordering wegens onterecht of tot een te hoog bedrag ontvangen uitkering. [4] Dit brengt mee dat het Uwv moet aantonen dat appellante haar inlichtingenplicht heeft geschonden door geen mededeling te doen van de adreswijziging van haar ex-partner. Met het rapport van de handhavingsdeskundige van het Uwv van 20 februari 2023 heeft het Uwv niet alleen aannemelijk gemaakt, maar ook aangetoond dat appellante haar inlichtingenplicht heeft geschonden door geen mededeling te doen van de adreswijziging. Appellante kan hiervan een verwijt worden gemaakt. Het Uwv was daarom verplicht om appellante een boete op te leggen. Daarbij is het Uwv terecht uitgegaan van normale verwijtbaarheid en heeft het Uwv terecht de boete vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag. Het Uwv heeft tevens rekening gehouden met de financiële draagkracht van appellante en in verband hiermee de boete vastgesteld op € 1.294,-. In wat appellante heeft aangevoerd is geen grond gelegen om de boete op een lager bedrag vast te stellen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat ter zitting is gebleken dat appellante de boete inmiddels volledig heeft afbetaald.
5.8.
Naar aanleiding van het beroep van appellante op de dringende reden om geheel of gedeeltelijk af te zien van het opleggen van de boete verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 2 april 2025 [5] waarin is neergelegd dat bij de beoordeling van de boete reeds alle feiten en omstandigheden worden betrokken en wordt gekeken naar zowel de oorzaken als de gevolgen, waaronder de financiële gevolgen van de boete. De verruimde uitleg in de rechtspraak van de dringende reden gaat niet verder dan deze indringende toets op de evenredigheid.

Conclusie en gevolgen

5.9.
Het hoger beroep slaagt voor zover dat is gericht tegen het oordeel van de rechtbank waarbij het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard. De aangevallen uitspraak zal in zoverre worden vernietigd. De Raad zal het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. De Raad zal de aangevallen uitspraak voor het overige bevestigen. Het beroep tegen het nadere besluit van 11 maart 2025 zal ongegrond worden verklaard.
6. Door vernietiging van de aangevallen uitspraak en de vernietiging van bestreden besluit 2 komt appellante in aanmerking voor de door haar betaalde proceskosten en griffierecht in beroep en hoger beroep. De proceskosten worden, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-), in totaal dus € 3.736,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op bestreden besluit 2;
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond en vernietigt dat besluit;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 11 maart 2025 ongegrond;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.736,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en G.C. Boot en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) D.M.A. van de Geijn

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 11a van de Toeslagenwet
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van toeslag en terzake van weigering van toeslag, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag;
b. indien anderszins de toeslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op toeslag bestaat.
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Artikel 12, eerste lid, van de Toeslagenwet
1. Degene die aanspraak maakt op toeslag, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger, alsmede de instelling aan welke ingevolge artikel 22 toeslag wordt uitbetaald, zijn verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op toeslag, de hoogte van de toeslag, het geldend maken van het recht op toeslag of op het bedrag van de toeslag dat wordt betaald. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 20, eerste en vijfde lid, van de Toeslagenwet
1. De toeslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a of 14 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.
(…)
5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Artikel 2a, eerste lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten
1. Bij de bepaling van de hoogte van de bestuurlijke boete wordt de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten beoordeeld naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenverplichting had moeten nakomen.
Artikel 6, eerste en tweede lid, van de Beleidsregel boete werknemer 2017
1. Indien de financiële omstandigheden waarin een betrokkene verkeert daartoe aanleiding geven, verlaagt het UWV de bestuurlijke boete.
2. Verlaging van de bestuurlijke boete vindt plaats door de aflossingscapaciteit per maand te vermenigvuldigen met het aantal maanden, gerelateerd aan de mate van verwijtbaarheid. Dit aantal is:
a. in geval van opzet 24 maanden;
b. in geval van grove schuld 18 maanden;
c. in geval van verwijtbaarheid 12 maanden;
d. in geval van verminderde verwijtbaarheid 6 maanden;
e. in geval van geringe verwijtbaarheid 2 maanden.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 27 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1921.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 27 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1921.
3.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 3 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:470.
5.CRvB 2 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:530.