Appellante, werkzaam als kassamedewerkster op basis van een min-maxcontract, betwistte de vaststelling van haar WIA-dagloon door het UWV. Zij stelde dat zij in de referteperiode onbetaald verlof had genoten doordat zij op verzoek van haar werkgever tijdens ingeroosterde uren eerder naar huis ging zonder loonbetaling over die uren.
Het UWV en de rechtbank verwierpen dit standpunt, stellende dat er geen sprake was van verlof in de zin van het Dagloonbesluit omdat een overeenkomst over niet-gewerkte uren ontbrak en appellante als hulpkracht geen verlofdagen had. De rechtbank hoorde een getuige die bevestigde dat eerder naar huis gaan werd geregistreerd als niet gewerkt, maar niet als verlof.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat de niet-gewerkte maar ingeroosterde uren op verzoek van de werkgever kwalificeren als een overeengekomen tijdvak zonder arbeid, dus als onbetaald verlof in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j, van het Dagloonbesluit. Het UWV heeft het begrip verlof onjuist uitgelegd en moet het dagloon opnieuw berekenen, waarbij het aantal verlofuren naar redelijke benadering moet worden vastgesteld.
De Raad draagt het UWV op binnen zes weken het gebrek in de besluiten van 24 november 2021 en 15 juli 2025 te herstellen en het dagloon opnieuw vast te stellen met inachtneming van deze overwegingen.