Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:615

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
23/3355 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 4:17 AwbArt. 8:113 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep bijzondere bijstand en individuele inkomenstoeslag met afwijzing schadevergoeding

Appellant diende meerdere aanvragen in voor bijzondere bijstand en individuele inkomenstoeslag voor kosten van een chauffeurspas, rijlessen en een bril. Het college wees deze aanvragen aanvankelijk af, maar vergoedde later alsnog de kosten, waardoor appellant geen procesbelang meer had voor die procedures.

De Raad oordeelde dat de ingangsdatum van de toegekende individuele inkomenstoeslag correct was vastgesteld door het college. Tevens werd een dwangsomverzoek wegens niet tijdig beslissen afgewezen omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij de ingebrekestelling tijdig per post had verzonden.

Verzoeken om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werden afgewezen, mede vanwege het geringe financieel belang en het feit dat de procedures binnen redelijke termijnen waren afgerond of dat de overschrijding niet leidde tot voldoende schade.

De Raad verklaarde het hoger beroep tegen een van de uitspraken niet-ontvankelijk, bevestigde de andere uitspraken en verklaarde de beroepen tegen de uitvoeringsbesluiten ongegrond. Verzoeken om vergoeding van proceskosten en griffierechten werden eveneens afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard, eerdere uitspraken worden bevestigd, beroepen tegen uitvoeringsbesluiten worden ongegrond verklaard en verzoeken om schadevergoeding worden afgewezen.

Uitspraak

23/3355 PW, 23/3356 PW, 23/3357 PW, 23/3363 PW, 24/325 PW, 24/929, 24/1990 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 1 november 2023, 22/965 (aangevallen uitspraak 1) en 22/1586, 22/2798 en 22/2799 (aangevallen uitspraak 2), en op de beroepen tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem van 18 december 2023, 27 februari 2024 en 6 maart 2024
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem (college)
Datum uitspraak: 4 mei 2026

SAMENVATTING

In deze zaken gaat het om de volgende vier onderwerpen.
1) De afwijzing van in 2020 door appellant ingediende aanvragen om bijzondere bijstand en van de door hem in 2021 ingediende aanvraag om een financiële vergoeding voor dezelfde kosten als waarvoor hij in 2020 bijzondere bijstand had aangevraagd. Het college heeft die kosten in de loop van de procedures daarover alsnog volledig vergoed. Om die reden oordeelt de Raad dat appellant geen procesbelang meer heeft bij deze procedures.
2) De ingangsdatum van de toegekende individuele inkomenstoeslag in 2020 en 2021. Het college heeft die datum in 2020 gesteld op de datum waarop appellant de aanvraag voor de toeslag had ingediend. Appellant voert aan dat hem in 2020 per een eerdere datum een individuele inkomenstoeslag had moet worden toegekend. Hierin krijgt hij geen gelijk. Het college heeft de ingangsdatum van de individuele inkomenstoeslag in 2020 correct vastgesteld. Dit leidt ertoe dat ook de ingangsdatum van de in 2021 toegekende individuele inkomenstoeslag juist is.
3) De afwijzing van een dwangsomverzoek dat appellant had ingediend wegens het niet tijdig beslissen op een aanvraag om een individuele inkomenstoeslag in 2021. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat, gelet op het moment waarop hij het formulier voor de ingebrekestelling heeft ontvangen, tijdig op de aanvraag is beslist en dus geen dwangsom is verschuldigd. Appellant heeft aangevoerd dat hij de ingebrekestelling op een veel eerder moment al per post aan het college heeft verstuurd en dat het college daarom wel een dwangsom is verschuldigd. Appellant krijgt hierin geen gelijk, omdat hij de verzending van de ingebrekestelling per post niet aannemelijk heeft gemaakt.
4) Het verzoek van appellant om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in zijn zaken. De Raad wijst dit verzoek om meerdere redenen af.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Ikiz, advocaat, hoger beroepen en beroepen ingesteld.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

De Raad heeft appellant met een brief van 26 september 2024 (regiebrief 1) laten weten hoe de Raad het geschil voorshands ziet en appellant vragen gesteld. Appellant heeft hierop gereageerd. Naar aanleiding daarvan heeft de Raad appellant met een brief van 11 februari 2025 (regiebrief 2) gevraagd om een onderbouwing van zijn reactie. Appellant heeft niet op deze brief gereageerd.
Het college heeft gereageerd op vragen van de Raad in de kennisgevingen en op verzoek van de Raad nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaken gelijktijdig behandeld op een zitting van 24 maart 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ikiz. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Otte en mr. M. Overhof. Op de zitting heeft appellant in alle zaken verzocht om schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen en de beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
24/325 PW en 24/929 PW
1.1.
Appellant heeft op 9 oktober 2020 aanvragen ingediend om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) voor de kosten van een chauffeurspas vrachtwagen (chauffeurspas), extra rijlessen in een vrachtwagen (rijlessen) en een bril. Met een besluit van 21 oktober 2020 heeft het college de aanvraag die ziet op de kosten van een chauffeurspas en rijlessen afgewezen (besluit 1). Met een ander besluit van 21 oktober 2020, voor zover hier van belang, heeft het college de aanvraag die ziet op de kosten van een bril afgewezen (besluit 2).
1.2.
Met twee afzonderlijke besluiten van 4 februari 2021 heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de gronden van bezwaar te laat waren ingediend. In een uitspraak van 31 oktober 2023 heeft de Raad de besluiten van 4 februari 2021 vernietigd en daarbij toepassing gegeven aan artikel 8:113 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). [1]
1.3.
Ter uitvoering van de uitspraak van 31 oktober 2023 heeft het college met een besluit van 18 december 2023 opnieuw beslist op het bezwaar tegen besluit 1 (uitvoeringsbesluit 1) en met een besluit van 6 maart 2024, voor zover hier van belang, op het bezwaar tegen besluit 2 (uitvoeringsbesluit 2). Daarbij heeft het college de bezwaren opnieuw niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant, gelet op de aan hem in 2023 toegekende vergoedingen, geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaren.
1.4.
Tegen de uitvoeringsbesluiten 1 en 2 heeft appellant beroep ingesteld bij de Raad.
23/3363 PW
1.5.
Appellant heeft op 16 juni 2021 een aanvraag ingediend om te regelen dat hij de kosten van een chauffeurspas, extra rijlessen en bril vergoed krijgt om aan de slag te kunnen gaan als vrachtwagenchauffeur. Deze aanvraag heeft het college opgevat als een aanvraag om bijzondere bijstand, dan wel een aanvraag om een re-integratievergoeding. Met een besluit van 22 juni 2021 (besluit 3), na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 11 maart 2022 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvraag afgewezen. Daaraan heeft het college, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat de kosten van een chauffeurspas en rijlessen zowel voor de bijzondere bijstand als voor de re-integratie van appellant geen noodzakelijke kosten zijn.
1.6.
In het kader van een re-integratietraject heeft het college appellant in de eerste helft van 2023 in de gelegenheid gesteld om met behoud van uitkering zijn bevoegdheid voor het rijden in een vrachtwagen te behalen. In dat kader heeft het college in de periode van maart tot en met november 2023 alle kosten van een chauffeurspas, rijlessen en een bril voor appellant vergoed.
24/1990 PW
1.7.
Het college heeft appellant per 12 september 2019 een individuele inkomenstoeslag op grond van de PW toegekend. Dit besluit staat in rechte vast. Op 24 juni 2020 heeft appellant een individuele inkomenstoeslag voor 2020 ingediend. Met een besluit van 29 juni 2020 heeft het college deze aanvraag afgewezen. Dit besluit is tot in hoger beroep in stand gebleven. [2] Op 23 juli 2020 heeft appellant opnieuw een individuele inkomenstoeslag aangevraagd. Het college heeft appellant een dwangsom toegekend van € 1.440,- wegens het niet tijdig beslissen op deze aanvraag. Met een besluit van 25 januari 2021 heeft het college de aanvraag afgewezen. Daarin staat dat het college de aanvraag van 23 juli 2020 op 9 oktober 2020 heeft ontvangen. Ook dit besluit staat in rechte vast.
1.8.
Op 9 oktober 2020 heeft appellant nogmaals een individuele inkomenstoeslag aangevraagd. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college met een besluit van 19 oktober 2020 aan appellant een individuele inkomenstoeslag op grond van de PW toegekend van € 421,- per 9 oktober 2020 (besluit 4). Met een besluit van 4 februari 2021 heeft het college het bezwaar tegen besluit 4 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de gronden van bezwaar te laat waren ingediend. In de in 1.2 genoemde uitspraak van 31 oktober 2023 heeft de Raad ook dat besluit van 4 februari 2021 vernietigd en toepassing gegeven aan artikel 8:113 van Pro de Awb.
1.9.
Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het college met een besluit van 27 februari 2024 opnieuw beslist op het bezwaar tegen besluit 4 (uitvoeringsbesluit 3). Daarbij heeft het college dat bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college, kort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. De aanvraag voor een individuele inkomenstoeslag van 23 juli 2020 heeft het college afgewezen met een besluit van 25 januari 2021. Tegen dat besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt. Aan appellant is per 12 september 2019 een individuele inkomstentoeslag toegekend, zodat hij op zijn vroegst op 12 september 2020 weer voor zo’n toeslag in aanmerking zou kunnen komen. Omdat appellant op 9 oktober 2020 een aanvraag heeft ingediend, is per die datum een individuele inkomenstoeslag toegekend.
1.10.
Tegen uitvoeringsbesluit 3 heeft appellant beroep ingesteld bij de Raad.
23/3355 PW tot en met 23/3357 PW
1.11.
Appellant heeft op 13 augustus 2021 een individuele inkomenstoeslag voor 2021 aangevraagd. Met een besluit van 31 maart 2022 (besluit 5), na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 19 oktober 2022 (bestreden besluit 2), heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant in de twaalf maanden daarvoor al een individuele inkomenstoeslag had ontvangen.
1.12.
Op 23 september 2021 heeft appellant nogmaals een aanvraag om een individuele inkomenstoeslag ingediend. Met een besluit van 11 oktober 2021 (besluit 6), na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 8 juni 2022 (bestreden besluit 3), heeft het college appellant een individuele inkomenstoeslag toegekend van € 431,- per 9 oktober 2021 op de grond dat dit de peildatum is, gelet op besluit 4.
1.13.
Met een formulier ‘dwangsom bij niet tijdig beslissen’, met dagtekening 11 oktober 2021, heeft appellant het college in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag van 13 augustus 2021 en verzocht om een dwangsom.
1.14.
Met een besluit van 5 april 2022 (besluit 7), na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 19 oktober 2022 (bestreden besluit 4), heeft het college het dwangsomverzoek afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat hij de ingebrekestelling pas heeft ontvangen tijdens een hoorzitting op 22 maart 2022 in een andere zaak en dat hij met het besluit van 31 maart 2022 binnen twee weken na die datum – en dus tijdig – heeft beslist op de aanvraag van 13 augustus 2021.
Uitspraken van de rechtbank
2.1.
In de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit 1 in stand gelaten.
2.2.
In de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 2 tot en met 4 ongegrond verklaard en daarmee die bestreden besluiten in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraken van de rechtbank en de uitvoeringsbesluiten niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
3.2.
In het hoger beroep met nummer 23/3363 PW, gericht tegen aangevallen uitspraak 1, heeft het college zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat appellant geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dat hoger beroep, omdat inmiddels vergoedingen aan hem zijn toegekend voor een chauffeurspas, rijlessen en een bril.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 ontvankelijk is en of het college met de uitvoeringsbesluiten 1 en 2 de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad beoordeelt verder of de rechtbank in de aangevallen uitspraak 2 de bestreden besluiten 2 tot en met 4 terecht in stand heeft gelaten en of uitvoeringsbesluit 3 in stand kan blijven aan de hand van wat appellant in hoger beroep en beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet-ontvankelijk is en dat het college met de uitvoeringsbesluiten 1 en 2 de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verder slaagt het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 niet en is het beroep tegen uitvoeringsbesluit 3 ongegrond. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordeel hebben.
Bijzondere bijstand / vergoeding kosten chauffeurspas, rijlessen en bril (24/325 PW, 24/929 PW en 23/3363 PW)
4.1.
Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft is bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Dit is vaste rechtspraak. [3] In deze zaak staat vast dat appellant in materiële zin geen beter resultaat kan bereiken. Appellant heeft namelijk in 2023 gekregen waar hij in oktober 2020 en juni 2021 om had verzocht, te weten vergoedingen voor de kosten die hij moest maken om de bevoegdheid voor het rijden in een vrachtwagen te behalen.
4.2.
Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven als de betrokkene een uitspraak wenst met het oog op een toekomstig verzoek om schadevergoeding. Dan is echter wel vereist dat het bestaan van schade als gevolg van de besluitvorming niet op voorhand onaannemelijk is. Ook dit volgt uit eerdere rechtspraak. [4] In het geval van appellant is hier niet aan voldaan. Hiervoor is het volgende van betekenis.
4.2.1.
In reactie op regiebrief 1 heeft appellant in een e-mailbericht van 14 december 2024 gesteld dat hij nog een procesbelang heeft omdat hij schade heeft geleden door onrechtmatig handelen van het college. Hierbij heeft appellant erop gewezen dat hij nu vrachtwagenchauffeur zou zijn geweest als het college de vergoedingen eerder had toegekend en appellant daadwerkelijk en serieus had geholpen, en ook dat hij de schade die hij heeft geleden nader zal onderbouwen. Met regiebrief 2 heeft de Raad appellant in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken een onderbouwing te geven van de door hem gestelde schade. Appellant heeft niet gereageerd op deze brief en heeft de gevraagde onderbouwing ook niet gegeven nadat hij in de oproeping voor de zitting is gewezen op het ontbreken van een toelichting op de gestelde schade. Het is daarom niet duidelijk of appellant enige schade heeft geleden en, zo ja, wat de oorzaak daarvan is geweest.
4.2.2.
Ter zitting heeft appellant gesteld dat hij inkomensschade heeft geleden doordat het college hem niet al in 2020 of 2021 vergoedingen heeft toegekend om zijn bevoegdheid als vrachtwagenchauffeur te behalen. Als dat wel was gebeurd, dan had appellant toen als vrachtwagenchauffeur aan de slag kunnen gaan. Appellant heeft het college hiervoor aansprakelijk gesteld en zal nog een civiele procedure daarover gaan voeren.
4.2.3.
Hoewel appellant daartoe ruimschoots de gelegenheid heeft gehad, heeft hij op geen enkele wijze onderbouwd en inzichtelijk gemaakt dat en tot welk bedrag hij inkomensschade heeft geleden. De enkele verwijzing ter zitting naar een aansprakelijkstelling en een civiele procedure is daarvoor op zichzelf niet voldoende. Daarom, en gelet op 4.2.1, wordt op voorhand onaannemelijk geacht dat appellant schade heeft geleden als gevolg van de besluitvorming van het college.
4.3.
Uit 4.1 tot en met 4.2.3 volgt dat appellant geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 en dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaren tegen de besluiten 1 en 2.
Individuele inkomenstoeslag 2020 (24/1990 PW)
4.4.
Appellant heeft aangevoerd dat het college de aanvraag van 23 juli 2020 ten onrechte niet heeft betrokken bij de beoordeling van de op 9 oktober 2020 ingediende aanvraag om een individuele inkomenstoeslag. Het college heeft namelijk een dwangsom toegekend wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 23 juli 2020, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de aanvraag op die datum is ingediend. Daarvan uitgaande zou per 12 september 2020 een individuele inkomenstoeslag moeten worden toegekend in plaats van per 9 oktober 2020. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.4.1.
Zou al enige betekenis aan de aanvraag met dagtekening 23 juli 2020 kunnen toekomen, dan moet worden vastgesteld dat daarop met het besluit 25 januari 2021 afwijzend is beslist en dat dat besluit in rechte vaststaat. Voor zover appellant meent dat het besluit van 25 januari 2021 niet juist is, omdat het college aan de afwijzing van de aanvraag van 23 juli 2020 ten onrechte ten grondslag heeft gelegd dat die aanvraag pas op 9 oktober 2020 was ontvangen en dat aan appellant per die datum al een inkomenstoeslag was toegekend, had hij bezwaar moeten maken tegen dat besluit.
4.4.2.
Nog afgezien hiervan komt geen betekenis toe aan de omstandigheid dat het college een dwangsom heeft toegekend wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 23 juli 2020. Het college heeft er in de bestreden besluiten 2 en 3 namelijk op gewezen dat de dwangsom ten onrechte was toegekend, omdat de op 23 juli 2020 gedagtekende aanvraag pas op 9 oktober 2020 was ontvangen. Hierbij heeft het college vermeld dat de verbeurde dwangsom wordt gehandhaafd, omdat appellant door het maken van bezwaar niet in een slechtere positie mag komen.
Individuele inkomenstoeslag 2021 (23/3355 PW en 23/3357 PW)
4.5.
Het hoger beroep voor zover dat ziet op de besluitvorming over de aanvragen om een individuele inkomenstoeslag van 13 augustus 2021 en 23 september 2021 hoeft niet apart te worden besproken. Zoals ter zitting is besproken hangt de uitkomst daarvan af van de uitkomst van het beroep tegen uitvoeringsbesluit 3 (zaak 24/1990 PW).
Afwijzing dwangsomverzoek (23/3356 PW)
4.6.
Appellant heeft aangevoerd dat het college een dwangsom is verschuldigd wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag om een individuele inkomenstoeslag van 13 augustus 2021. Volgens appellant heeft hij het college namelijk op 11 oktober 2021 in gebreke gesteld, hoewel hij niet kan aantonen dat hij die ingebrekestelling op de post heeft gedaan. Hij wijst erop dat het aan het college te wijten is dat aanvragen van appellant regelmatig te lang blijven liggen of kwijtraken, wat komt door gebrekkige en slordige postverwerking bij het college. Ook wijst hij erop dat het voor hem financieel niet haalbaar is om alle post aangetekend te versturen, dat de afstand tussen zijn woning en het hoofdkantoor van het college te groot is om alles elke keer in persoon in te leveren aan de balie en dat het niet mogelijk is om aanvragen per e-mail in te dienen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.6.1.
Ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb is een dwangsom verschuldigd als twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. De termijn van twee weken vangt aan op de dag na die waarop de ingebrekestelling is ontvangen. De Raad heeft dit eerder in een andere uitspraak overwogen. [5]
4.6.2.
Appellant stelt dat hij de ingebrekestelling op 11 oktober 2021 per post heeft verstuurd. Het college heeft gesteld dat hij de ingebrekestelling niet eerder dan tijdens een hoorzitting in een andere zaak op 22 maart 2022 heeft ontvangen.
4.6.3.
Het is aan appellant om aannemelijk te maken dat hij de ingebrekestelling op 11 oktober 2021 ter post heeft bezorgd. Nu het college stelt dat hij de ingebrekestelling pas op 22 maart 2022 heeft ontvangen, is de enkele stelling dat de ingebrekestelling op 11 oktober 2021 per post is verzonden onvoldoende om dat aannemelijk te maken. [6]
4.6.4.
Ter zitting heeft appellant gewezen op de problemen die zich volgens de Ombudsman voordoen bij PostNL. Ook heeft hij gewezen op de problemen die zich voordoen bij de postverwerking bij de Dienst Sociale Zaken Maastricht Heuvelland waar het college onder valt. Maar met deze algemene stellingen heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij in dit concrete geval de ingebrekestelling op 11 oktober 2021 per post heeft verzonden. Daarvoor ontbreekt enige bewijs en zoals appellant zelf erkent, kan hij voor die stelling ook geen bewijs aandragen. Dit komt voor zijn risico, wat er verder ook zij van de reden om de ingebrekestelling per post te versturen.
4.7.
Daarom moet het ervoor worden gehouden dat het college de ingebrekestelling pas op 22 maart 2022 heeft ontvangen. Het college heeft binnen twee weken na die datum beslist op de aanvraag van 13 augustus 2021 en was daarom geen dwangsom verschuldigd.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
5. Appellant heeft in alle zaken verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Deze verzoeken worden afgewezen. Daarvoor is het volgende van belang.
5.1.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.
5.2.
In de zaken 23/3356 PW en 23/3357 PW zijn vanaf de ontvangst van de bezwaarschriften van 17 mei 2022 van appellant tot de datum van deze uitspraak drie jaar en ruim elf maanden verstreken. De redelijke termijn is in die zaken dus niet overschreden.
5.3.
Voor de zaken 23/3363 PW, 24/325 PW en 24/929 PW geldt het volgende. Zoals is vermeld in 1.6 heeft het college de kosten van een chauffeurspas, rijlessen en een bril voor appellant vergoed. Met die vergoedingen heeft appellant gekregen waar hij in oktober 2020 en juni 2021 om had verzocht. In eerdere rechtspraak is tot uitdrukking gebracht dat de redelijke termijn bij een tegemoetkomend besluit eindigt op het moment waarop het tegemoetkomend besluit is bekendgemaakt, ook als daarna geen intrekking van het hoger beroep plaatsvindt. [7] Aansluiting zoekend bij deze rechtspraak is de Raad is van oordeel dat in dit geval de redelijke termijn in november 2023 is geëindigd, omdat vaststaat dat het college toen alle vergoedingen had toegekend waar appellant in 2020 en 2021 om had verzocht. Aangenomen mag dan worden dat appellant vanaf dat moment geen spanning en frustratie meer heeft ondervonden als gevolg van de duur van de procedure. Vanaf de ontvangst van de bezwaarschriften in die zaken op 1 december 2020, 2 december 2020 en 16 september 2021 tot aan november 2023 zijn niet meer dan drie jaar verstreken. De redelijke termijn is in deze zaken dus niet overschreden.
5.4.
In zaak 24/1990 PW zijn vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 2 december 2020 tot de datum van deze uitspraak vijf jaar en zes maanden verstreken. In de zaak 23/3355 PW zijn vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 16 september 2021 vier jaar en bijna acht maanden verstreken. De redelijke termijn is in die zaken dus overschreden. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. De Raad ziet in het onderhavige geval aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Hiertoe is het volgende van belang.
5.4.1.
In zaken waarin de redelijke termijn is overschreden, wordt als regel – behoudens bijzondere omstandigheden – verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. De Raad hanteert als uitgangspunt dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet, wanneer het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000,- bedraagt, en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. Bij een financieel belang van minder dan € 1.000,- en een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden kan de Raad beslissen naar bevind van zaken. [8]
5.4.2.
In de zaken 24/1990 PW en 23/3355 PW wilde appellant bereiken dat de voor 2020 en 2021 aangevraagde individuele inkomenstoeslag niet per 9 oktober van die jaren, maar per 12 september wordt toegekend. Het financieel belang daarbij is zeer gering en in ieder geval veel minder dan € 1.000,-. De Raad volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn in de zaak 23/3355 PW met acht maanden is overschreden. Hoewel de overschrijding van de redelijke termijn in 24/1990 PW meer dan twaalf maanden bedraagt, is de Raad na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, in het bijzonder het zeer geringe financieel belang, van oordeel dat ook in die zaak kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden met een jaar en zes maanden.

Conclusie en gevolgen

6.1.
Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 is niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de Raad niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van dit hoger beroep.
6.2.
De beroepen tegen de uitvoeringsbesluiten 1 en 2 slagen niet en zullen daarom ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat het college terecht niet is toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van de bezwaren die zien op de kosten van een chauffeurspas, extra rijlessen in een vrachtwagen en een bril.
7.1.
Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 slaagt niet. Deze uitspraak zal daarom worden bevestigd. Dit betekent dat de datum met ingang waarvan in 2021 een individuele inkomenstoeslag is toegekend in stand blijft en dat appellant geen dwangsom krijgt.
7.2.
Het beroep tegen uitvoeringsbesluit 3 slaagt niet en zal daarom ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat de datum met ingang waarvan in 2020 een individuele inkomenstoeslag is toegekend in stand blijft.
8. Daarnaast worden de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
9. Uit 6.1 tot en met 8 volgt dat appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en de betaalde griffierechten krijgt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • verklaart het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet-ontvankelijk;
  • bevestigt aangevallen uitspraak 2;
  • verklaart de beroepen tegen de uitvoeringsbesluiten ongegrond;
  • wijst de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) L. van Beelen

Voetnoten

2.Uitspraak van 19 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:533.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 oktober 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB6945.
5.Zie de uitspraak van 23 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3588.
6.Vergelijk de uitspraak van 20 januari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:107, onder 4.1.2.
7.Zie de uitspraak van 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1594.