Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:533

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 maart 2024
Publicatiedatum
19 maart 2024
Zaaknummer
21/4182 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag individuele inkomenstoeslag wegens eerdere toekenning binnen twaalf maanden

Appellant, woonachtig in de gemeente Gulpen-Wittem, ontving bijstand op grond van de Participatiewet en deed meerdere aanvragen voor een individuele inkomenstoeslag tussen 2016 en 2020. De aanvraag van 24 juni 2020 werd afgewezen omdat binnen twaalf maanden voorafgaand al een toeslag was verleend per 12 september 2019.

Appellant voerde aan dat de datum van indiening van zijn aanvraag niet bepalend mocht zijn en dat eerdere aanvragen over de jaren 2016 tot en met 2019 in de beoordeling betrokken hadden moeten worden. De Raad stelde vast dat artikel 36, derde lid, van de Participatiewet bepaalt dat een aanvraag wordt afgewezen indien binnen twaalf maanden voorafgaand al een toeslag is verleend, en dat de aanvraag van 24 juni 2020 binnen deze termijn viel.

Verder erkende de Raad dat het college een beleidsregel hanteert waarbij een aanvraag binnen acht weken voor het einde van de twaalfmaandstermijn toch in behandeling wordt genomen, maar dit was hier niet van toepassing. Ook het beroep op de memorie van toelichting werd verworpen omdat deze betrekking had op een inmiddels gewijzigde wettekst.

De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het bestreden besluit van afwijzing. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding en het betaalde griffierecht werd niet teruggegeven.

Uitkomst: De aanvraag om een individuele inkomenstoeslag wordt afgewezen omdat binnen twaalf maanden voorafgaand al een toeslag is verleend.

Uitspraak

21/4182 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 oktober 2021, 21/32 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem (college)
Datum uitspraak: 19 maart 2024

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de afwijzing van een aanvraag om een individuele inkomenstoeslag. De reden voor die afwijzing is dat aan appellant in de twaalf maanden voorafgaande aan zijn aanvraag al een individuele inkomenstoeslag is verleend. Appellant heeft aangevoerd dat de datum van indiening van zijn aanvraag niet aan toekenning van de individuele inkomenstoeslag in de weg stond. Appellant krijgt geen gelijk. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Ikiz, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 6 februari 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ikiz. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Huntjens en W.H.A. Ottenheim.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant woont met ingang van 1 augustus 2013 in de gemeente Gulpen-Wittem en ontvangt vanaf die datum bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Appellant heeft op 12 augustus 2016 een individuele inkomenstoeslag aangevraagd op grond van artikel 36 van Pro de PW. Het college heeft de individuele inkomenstoeslag verleend per 12 augustus 2016. Vervolgens heeft het college naar aanleiding van de aanvraag van 12 september 2017 aan appellant een individuele inkomenstoeslag verleend per 12 september 2017. Op 15 augustus 2018 heeft appellant opnieuw een individuele inkomenstoeslag aangevraagd, waarna het college aan appellant een individuele inkomenstoeslag heeft verleend per 12 september 2018.
1.3.
Naar aanleiding van de aanvraag van 26 juli 2019 heeft het college aan appellant een individuele inkomenstoeslag verleend per 12 september 2019. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.
1.4.
Appellant heeft op 24 juni 2020 opnieuw een aanvraag ingediend voor een individuele inkomenstoeslag.
1.5.
Met een besluit van 29 juni 2020, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 24 november 2020 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat aan appellant in de periode van twaalf maanden voorafgaande aan de aanvraag van 24 juni 2020 al een individuele inkomenstoeslag is verleend. Indien appellant de aanvraag niet méér dan acht weken vóór 12 september 2020 zou hebben ingediend en overigens zou voldoen aan de voorwaarden, zou het college op grond van het ter zake gevoerde beleid aan appellant per 12 september 2020 een individuele inkomenstoeslag hebben verleend.
1.6.
Naar aanleiding van een latere aanvraag heeft het college aan appellant per 9 oktober 2020 een individuele inkomenstoeslag verleend.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om een individuele inkomenstoeslag in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Appellant heeft aangevoerd dat het college bij de afwijzing van de aanvraag ten onrechte niet zijn aanvragen over de jaren 2016 tot en met 2019 heeft betrokken en daarom ten onrechte als peildatum 12 september 2020 heeft genomen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.1.1.
Ingevolge artikel 36, derde lid, van de PW wordt de aanvraag om een individuele inkomenstoeslag afgewezen, indien in de periode van twaalf maanden voorafgaande aan de aanvraag een individuele inkomenstoeslag is verleend.
4.1.2.
Nu het college aan appellant per 12 september 2019 een individuele inkomenstoeslag heeft verleend en appellant op 24 juni 2020 – binnen de in artikel 36, derde lid, van de PW bedoelde termijn van twaalf maanden – een nieuwe aanvraag heeft ingediend, diende deze aanvraag te worden afgewezen. De onder 1.2 genoemde aanvragen en beslissingen over de jaren 2016 tot en met 2018 maken dit niet anders.
4.2.
Het college neemt, in afwijking van artikel 36, derde lid, van de PW, een aanvraag om een individuele inkomenstoeslag toch in behandeling als de aanvraagdatum ligt binnen acht weken voor het einde van de periode van twaalf maanden. Aangezien er tussen 24 juni 2020 en 12 september 2020 meer dan acht weken liggen, kan appellant aan dit beleid geen aanspraak ontlenen.
4.3.
Appellant heeft verder aangevoerd dat niet naar de letterlijke tekst van artikel 36, derde lid, van de PW moet worden gekeken, maar naar de bedoeling van de wetgever. Volgens appellant is de aanvraagdatum voor de wetgever niet bepalend voor het recht op een individuele inkomenstoeslag. Appellant heeft daarbij gewezen op de memorie van toelichting [1] bij artikel 36 van Pro de Wet werk en bijstand, zoals dat artikel vanaf 1 januari 2009 luidde. Ook die beroepsgrond slaagt niet. De bedoelde memorie van toelichting heeft namelijk betrekking op een wettekst die nadien is gewijzigd en heeft voor het belang van de aanvraagdatum geen betekenis voor de uitleg van artikel 36, derde lid, van de PW.

Conclusie en gevolgen

4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om een individuele inkomenstoeslag in stand blijft.
5. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van N. ter Heerdt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2024.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) N. ter Heerdt

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2007/08, 31441, nr. 3, p. 17.