Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:611

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
24/362 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 PWArt. 16 PWArt. 54 PWArt. 3:4 AwbArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens overschrijding verblijf buitenland zonder dringende redenen

Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en verbleef in 2022 langer dan de maximaal toegestane vier weken in het buitenland, namelijk in Turkije. Het college van burgemeester en wethouders van Maastricht trok daarom haar bijstand over de periode van 19 tot en met 29 oktober 2022 in. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij werd gediscrimineerd omdat zij anders werd behandeld dan Nederlanders met familieleven in Nederland, dat haar recht op familieleven werd geschonden, dat er zeer dringende redenen waren om bijstand te verlenen en dat haar belangen zwaar wogen. De Raad oordeelde dat artikel 13 lid 1 onder Pro e van de Participatiewet een objectieve en redelijke rechtvaardiging biedt voor de intrekking en dat er geen sprake is van discriminatie.

Verder stelde de Raad dat het recht op familieleven niet zo ver strekt dat bijstand moet worden verleend voor verblijf in het buitenland, ook niet bij overlijden van een familielid. De door appellante aangevoerde psychische gevolgen voldeden niet aan de vereisten van een acute noodsituatie zoals bedoeld in artikel 16 lid 1 van Pro de Participatiewet. De belangenafweging leidde tot bevestiging van de intrekking van de bijstand en afwijzing van het hoger beroep.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens overschrijding van de maximale verblijfsduur in het buitenland wordt bevestigd.

Uitspraak

24/362 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 december 2023, 23/1234 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)
Datum uitspraak: 12 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over een intrekking van bijstand op de grond dat appellante de maximaal toegestane duur van vier weken verblijf in het buitenland heeft overschreden. Appellante voert aan dat er sprake is van discriminatie, dat een inbreuk wordt gemaakt op haar recht op familieleven, dat er zeer dringende redenen zijn om toch bijstand te verlenen en dat zij een belang heeft dat zwaar weegt bij de af te wegen belangen in het kader van de uitoefening van de discretionaire intrekkingsbevoegdheid. Appellante krijgt hierin geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Ikiz, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 31 maart 2026. Voor appellante is mr. S. Ikiz verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Otte.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Zij heeft met voorafgaand bericht van 26 juli 2022 tot en met 24 augustus 2022 in Turkije verbleven. Vervolgens is zij met voorafgaand bericht op 18 oktober 2022 opnieuw naar Turkije vertrokken in verband met het overlijden van haar moeder. Appellante is op 29 oktober 2022 teruggekeerd in Nederland.
1.2.
Met een besluit van 14 november 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 17 april 2023 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 19 oktober 2022 tot en met 29 oktober 2022 ingetrokken. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante geen recht op bijstand had omdat zij in 2022 in totaal langer dan vier weken in het buitenland heeft verbleven. Het college is niet gebleken dat appellante in de periode van uitsluiting verkeerde in een acute noodsituatie. Daarom is volgens het college geen sprake van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW om haar toch bijstand te verlenen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de intrekking in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Uitsluiting van het recht op bijstand
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellante in de periode waar het hier om gaat de maximaal toegestane duur van vier weken verblijf in het buitenland heeft overschreden en dat zij daardoor op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW was uitgesloten van het recht op bijstand in de periode van 19 tot en met 29 oktober 2022.
Discriminatie
4.2.
Appellante heeft in de eerste plaats aangevoerd dat zij door de toepassing van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW wordt gediscrimineerd. Appellante wordt namelijk anders behandeld dan een Nederlander die familieleven in Nederland heeft. Wanneer de begrafenis in Nederland had plaatsgevonden, dan zou zij immers niet zijn gekort op de bijstand. Appellante heeft echter niet de keuze om het familieleven geheel in Nederland te hebben. Ter zitting bij de rechtbank en de Raad heeft de gemachtigde van appellante hier nog aan toegevoegd dat de wetgever geen rekening heeft gehouden met de groep waartoe appellante behoort, die namelijk zowel in het buitenland als in Nederland familieleven hebben. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
4.2.1.
In de memorie van toelichting bij artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet werk en bijstand (WWB) [1] – welke bepaling gelijkluidend is aan artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW – staat onder meer dat als de betrokkene langer buiten Nederland verblijft dan vier weken, het in artikel 11 [van de WWB en de PW] vastgelegde territorialiteitsbeginsel dan met zich meebrengt dat er geen recht op bijstand is, dat in die situatie de betrokkene zich onttrekt aan een juiste uitvoering van deze wet en dat dit ook zo is als de noodzaak van het langere verblijf buiten Nederland zou vast staan of als dit langere verblijf te wijten is aan overmacht. Het territorialiteitsbeginsel bevat een op zichzelf neutrale regel die op iedereen van toepassing is. De Raad heeft dit eerder in een andere uitspraak overwogen. [2]
4.2.2.
Zoals de rechtbank heeft overwogen, geldt artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW voor iedere Nederlander met bijstand. In deze bepaling wordt geen direct onderscheid naar etnische afkomst gemaakt. Voor zover er in een geval als dit al sprake zou zijn van een indirect onderscheid naar afkomst, is voor dit onderscheid een objectieve en redelijke rechtvaardiging gelegen in de doelstelling van deze bepalingen, waaraan elk oogmerk van discriminatie ontbreekt. [3] De Raad verwijst voor die doelstellingen naar de in 4.2.1 verkort weergegeven memorie van toelichting bij artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB en naar de memorie van toelichting bij de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden [4] , waarin onder meer het volgende staat:
“De bijstand is bedoeld als vangnet om te kunnen voorzien in de bestaanskosten in Nederland, en men moet daarom dus in Nederland wonen én verblijven om recht op bijstand te hebben. Het toestaan van een langdurig verblijf in het buitenland met behoud van bijstand past daar niet bij. Bij de keuze van de regering het toestaan van langdurig verblijf buiten Nederland met behoud van bijstand te beperken, is voorts van belang dat het beoordelen van het recht op bijstand van mensen die langdurig in het buitenland verblijven, voor gemeenten moeilijk vast te stellen en slecht handhaafbaar is. Tot slot geldt dat indien een bijstandsgerechtigde langer in het buitenland wenst te verblijven dan de WWB toestaat, dat uiteraard mag, maar in die langere periode is er géén recht op (aanvullende) bijstand.” [5]
Inbreuk op familieleven
4.3.
Verder heeft appellant aangevoerd aan dat de toepassing van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW een schending oplevert van het in artikel 8 van Pro het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht op respect voor familieleven. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
4.3.1.
Zoals de rechtbank heeft overwogen, had appellante de keuze om niet naar Turkije te gaan en de bijstand te behouden of om wel naar Turkije te gaan met als gevolg dat zij zou worden uitgesloten van het recht op bijstand. Daarnaast strekt de bescherming die artikel 8 van Pro het EVRM biedt niet zo ver dat een bijstandverlenende instantie verplicht is de betrokkene financieel in staat te stellen om de uitoefening van het recht op familieleven mogelijk te maken gedurende de tijd dat hij of zij – bijvoorbeeld vanwege het overlijden van een ouder – heeft verbleven buiten Nederland. De Raad heeft dit eerder in andere uitspraken tot uitdrukking gebracht. [6]
Zeer dringende redenen
4.4.
Appellante heeft verder aangevoerd dat in haar geval zich zeer dringende redenen voordoen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW om toch bijstand te verlenen over de periode waar het hier om gaat. Het gaat erom wat het met de gezondheidssituatie van appellante had gedaan als zij niet was vertrokken naar Turkije. Dat had voor haar ernstige gevolgen kunnen hebben, met name voor haar gezondheid. Als zij niet naar Turkije was vertrokken, dan had dat namelijk kunnen leiden tot een langdurige rouwstoornis, wat een erkende psychische aandoening is. Dit blijkt uit twee websites over, kort gezegd, het belang van rouwverwerking. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
4.4.1.
Zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Dit is vaste rechtspraak. [7] Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Een acute noodsituatie doet zich voor als het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Dit volgt uit eerdere rechtspraak. [8]
4.4.2.
Appellante doet met haar beroep op artikel 16, eerste lid, van de PW een beroep op een uitzondering op de hoofdregel van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW. Daarom moet zij aannemelijk maken dat aan de voorwaarden voor die uitzondering is voldaan. Dit volgt uit vaste rechtspraak. [9]
4.4.3.
Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval sprake is geweest van een acute noodsituatie in de in 4.4.1 bedoelde zin. De enkele verwijzing naar wat er had kunnen gebeuren als zij niet voor de begrafenis van haar moeder naar Turkije was gegaan, is daarvoor ontoereikend. Appellante heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij in de periode waar het hier om gaat verkeerde in behoeftige omstandigheden die alleen met het verlenen van bijstand konden worden verholpen. Appellante heeft naar Turkije kunnen reizen en in Turkije onderdak en hulp gehad van familie en zij heeft niet gesteld en niet aannemelijk gemaakt dat het haar aan noodzakelijke medische zorg of voorziening in haar levensonderhoud heeft ontbroken. De enkele omstandigheid dat haar vaste lasten doorliepen tijdens het verblijf in Turkije en zij geld heeft moeten lenen, zoals zij ter zitting heeft gesteld, is daarvoor niet voldoende. De Raad heeft dit eerder in andere uitspraken tot uitdrukking gebracht. [10]
Belangenafweging
4.5.
Appellante heeft ter zitting aangevoerd dat haar belang zwaar weegt bij de af te wegen belangen in het kader van de uitoefening van de discretionaire intrekkingsbevoegdheid. Appellante heeft enige tijd geen bijstand ontvangen en dat is al een financieel nadeel. Zij heeft geld moeten lenen en uitgaven gehad. Zo krijgen de mensen uit het dorp na een begrafenis eten en dat betalen de kinderen. Deze beroepsgrond slaagt al niet omdat appellante haar stellingen op geen enkele manier heeft onderbouwd.

Conclusie en gevolgen

4.6.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd. Dit betekent dat de intrekking in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J. Bonnema

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4
1.Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2.De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 7:12, eerste lid
De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van Pro het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.
Artikel 8:113, tweede lid
Indien de uitspraak van de hogerberoepsrechter ertoe strekt dat het bestuursorgaan een nieuw besluit neemt, kan de uitspraak tevens inhouden dat beroep tegen dat besluit slechts kan worden ingesteld bij de hogerberoepsrechter.
Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden
Artikel 8
1.Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2.Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Participatiewet
Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e
Geen recht op bijstand heeft degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland.
Artikel 16, eerste lid
Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
Artikel 54, derde lid, tweede volzin
Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Voetnoten

1.Kamerstukken II, 2002/03, 28 870, nr. 3, blz. 44.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:485, onder 4.4.4.
3.Vergelijk de uitspraak van 3 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1051, onder 4.3.2.
4.Staatsblad 2011, 650.
5.Kamerstukken II, 2010/11, 32 815, nr. 3, blz. 16-17.
6.Zie de uitspraken van 16 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5903 en van 6 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2014:1680.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1028.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985.
10.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 25 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:253 en van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2377.