Uitspraak
28 november 2022, 21/3275 (aangevallen uitspraak)
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Gelet op het voorgaande is de intrekking, terugvordering en afwijzing correct geweest.
Het oordeel van de Raad
30 september 2020, de laatste dag van de periode waarop de afwijzing van de aanvraag om bijstand ziet.
Artikel 11, eerste lid, van de PW en artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW
4.4.1. Uit artikel 11, eerste lid, van de PW volgt dat alleen iemand die in Nederland woont aanspraak kan maken op bijstand. Het begrip ‘woonachtig’ in die bepaling heeft in beginsel dezelfde strekking als het begrip ‘woonplaats’ in artikel 40 van Pro de PW. Waar iemand zijn woonplaats heeft is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is en dat wordt beoordeeld op basis van de concrete feiten en omstandigheden van het geval. Dit is vaste rechtspraak. [1] Mogelijk is dat iemand niet in Nederland een woonplaats heeft, maar daar toch woonachtig is in de hier bedoelde zin. Daarbij is met name van betekenis of tussen de betrokkene en Nederland een persoonlijke band van duurzame aard bestaat. [2] Ook dat wordt beoordeeld op basis van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.
4.4.2. Bij toepassing van artikel 13, eerste lid, onder e, van de PW gaat het slechts om de vraag of iemand langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland. De reden van het (langduriger) verblijf is, zoals in het bestreden besluit terecht is gesteld, op zichzelf niet van belang. Zelfs indien het verblijf van langer dan vier weken in het buitenland is te wijten aan overmacht, vormt dat geen reden de bijstand voort te zetten. [3]
4.6.1. Het college heeft terecht vastgesteld dat appellant in de gehele te beoordelen periode buiten Nederland heeft verbleven. Aan het e-mailbericht van 24 juni 2020, waarin hij stelt dat hij vanaf 22 mei terug is in Nederland, komt in dit verband alleen al geen betekenis toe, omdat uit zijn e-mailbericht van 12 oktober 2020 blijkt dat die stelling onjuist is. Ook anderszins heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij in de te beoordelen periode in Nederland heeft verbleven.
4.6.2. Dit betekent, gelet op wat in 4.4 en 4.4.2 is overwogen, dat appellant van 29 maart 2020 – de eerste dag na de periode van vier weken – tot en met 30 september 2020 op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW geen recht had op bijstand.
Artikel 16, eerste lid, van de PW
Het verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn
€ 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. [6]
Conclusie en gevolgen
€ 934,-). Ook komt appellant in aanmerking voor vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht van € 49,-. In hoger beroep is hij vrijgesteld van het betalen van griffierecht.
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 22 maart 2021;
- draagt het college op een nieuwe beslissing op de bezwaren te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.500,-;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 934,-;
- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep betaalde griffierecht van € 49,- vergoedt.
D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) R.R. Olde Engberink
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
Geen recht op bijstand heeft degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland;
Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. (…)