Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:485

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
25/720 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 Wet WIAArt. 16 DagloonbesluitArt. 17 Wet financiering sociale verzekeringen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste vaststelling WIA-dagloon ondanks coronapandemie en persoonlijke omstandigheden

Appellant werkte via een uitzendbureau en werd door de coronapandemie werkloos. Na diverse WW- en Ziektewetuitkeringen vroeg hij een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde het dagloon voor de WIA-uitkering vast op €126,35, gebaseerd op het loon in de referteperiode van 1 februari 2020 tot 31 januari 2021. Appellant betoogde dat deze berekening leidde tot een onevenredig lage uitkering en dat het dagloon gelijk had moeten zijn aan dat van zijn eerdere Ziektewetuitkering.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de coronapandemie een algemene omstandigheid is die niet tot afwijking van de wettelijke dagloonregels leidt. Ook persoonlijke omstandigheden zoals het alleenstaand zijn en de financiële lasten van appellant werden onvoldoende geacht om af te wijken van het Dagloonbesluit.

In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn situatie uniek is vanwege zijn ongeneeslijke ziekte, de langdurige financiële gevolgen en mentale gezondheidsproblemen. Hij overhandigde ondersteunende brieven van een therapeut en zijn voormalige werkgever. Het UWV handhaafde het standpunt dat het dagloon correct is vastgesteld en dat persoonlijke omstandigheden geen reden zijn voor afwijking.

De Raad oordeelde dat het dagloon conform de wettelijke bepalingen is vastgesteld en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een onevenredige uitkomst veroorzaken. De persoonlijke situatie van appellant, inclusief zijn arbeidsongeschiktheid en mentale gezondheid, geldt ook voor andere IVA-gerechtigden en vormt geen grond voor afwijking. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het WIA-dagloon van €126,35 blijft ongewijzigd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/720 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 3 maart 2025, 23/1346 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv het dagloon van de per 14 februari 2023 aan appellant toegekende WIA-uitkering terecht heeft vastgesteld op € 126,35. Appellant heeft aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de strikte toepassing van de dagloonregels in zijn geval leidt tot een onevenredige uitkomst. Het dagloon had daarom moeten worden vastgesteld op hetzelfde dagloon als van de ZW-uitkering die appellant voorafgaand aan de WIA-uitkering heeft ontvangen. De Raad volgt het standpunt van appellant niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het WIA-dagloon juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.C. Haanappel, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 maart 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Haanappel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.W.C. Jacobs.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft vanaf 8 november 2019 gewerkt via uitzendbureau Tempo-Team Uitzenden B.V. (het uitzendbureau) bij een vaste inlener voor gemiddeld 40 uur per week. Wegens de coronapandemie heeft het uitzendbureau de werkzaamheden van appellant per 1 maart 2020 beëindigd. Appellant heeft per 3 maart 2020 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Vanaf april 2020 tot 1 januari 2021 heeft appellant wisselend inkomsten via het uitzendbureau en een (aanvullende) WW-uitkering ontvangen. Per 1 januari 2021 heeft appellant opnieuw via het uitzendbureau gewerkt bij de inlener. Wegens de inkomsten van appellant is de WW-uitkering per 1 februari 2021 weer beëindigd. Appellant heeft zich op 16 februari 2021 ziekgemeld. Per 18 februari 2021 heeft het Uwv appellant een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend, waarbij het dagloon is vastgesteld op € 129,15. Vervolgens heeft appellant bij het Uwv een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering.
1.2.
Bij besluit van 30 januari 2023 heeft het Uwv aan appellant per 14 februari 2023 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Het WIA-dagloon is hierbij (na indexering) vastgesteld op € 126,35. Voor de berekening van het dagloon is het Uwv uitgegaan van het loon dat appellant heeft genoten in de periode van 1 februari 2020 tot en met 31 januari 2021, de zogenoemde referteperiode. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 januari 2023 omdat het WIAdagloon lager is dan het loon dat appellant verdiende voordat hij zich heeft ziekgemeld. Volgens appellant heeft de berekening van het dagloon volgens de wettelijke regels in zijn geval geleid tot een onevenredig laag dagloon.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 7 juni 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat de hoogte van de WIA-uitkering juist is berekend. Het Uwv heeft in het geval van appellant geen aanleiding gezien om af te wijken van de wettelijke regels voor de berekening van het WIA-dagloon.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft vastgesteld dat de berekening van het WIA-dagloon als zodanig tussen partijen niet in geschil is. Tussen partijen is in geschil of het Uwv aanleiding had moeten zien om af te wijken van de geldende dagloonregelgeving. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat het Uwv wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel had moeten afwijken van de toepasselijke bepalingen van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit). Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het gaat om de beoordeling van een gebonden besluit dat is gebaseerd op een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Bijzondere omstandigheden kunnen maken dat de toepassing van dat algemeen verbindend voorschrift voor een belanghebbende zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit betekent dat moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst zou leiden. Daarbij gaat het dan alleen om de evenwichtigheid (onevenredigheid ‘stricto sensu’). De rechtbank heeft het zonder meer aannemelijk geacht dat appellant tijdens het refertejaar als gevolg van de uitbraak van de coronapandemie minder werk heeft kunnen krijgen bij de inlener (dan wel bij anderen) dan zonder deze specifieke omstandigheid het geval zou zijn geweest, zoals appellant heeft gesteld. De rechtbank heeft echter vastgesteld dat de situatie van appellant in dit opzicht niet wezenlijk verschilt van die van anderen die als gevolg van de coronapandemie in soortgelijke omstandigheden zijn komen te verkeren. Er is verder naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift juist in het geval van appellant tot een onevenredige uitkomst zou leiden. Dat appellant alleenstaand is en daardoor over het algemeen relatief hoge(re) lasten heeft, is in dit verband onvoldoende.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn situatie niet verschilt met die van anderen die door de coronapandemie zijn gedupeerd. Appellant meent dat in zijn specifieke situatie sprake is van bijzondere omstandigheden. Voor appellant zijn de financiële consequenties van de lagere WIA-uitkering groot, en ze zullen ook langdurig zijn omdat hij waarschijnlijk volledig arbeidsongeschikt zal blijven. Ter zitting heeft appellant naar voren gebracht dat hij per 16 mei 2024 een IVA-uitkering ontvangt. De omstandigheid dat appellant moet rondkomen van een lager bedrag dan voorheen, in combinatie met zijn ongeneeslijke ziekte, zorgt voor veel stress bij appellant, en heeft een negatieve invloed op zijn mentale gezondheid. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant een brief van 19 februari 2026 van zijn therapeut overgelegd. Ook heeft appellant een brief van diezelfde datum van de inlener overgelegd. Hierin is vermeld dat appellant zonder de coronacrisis in de referteperiode waarschijnlijk voor een aanzienlijk deel fulltime in dienst zou zijn gebleven. Ook is vermeld dat appellant destijds keuzes heeft gemaakt op basis van morele overwegingen die nu een aanzienlijk negatievere impact hebben op zijn huidige situatie dan destijds kon worden ingeschat. Ter zitting heeft appellant desgevraagd hierover toegelicht dat hij in de tweede helft van 2020 opnieuw is gaan werken bij de inlener. Het uitzendbureau heeft er toen bij de inlener op aangedrongen om appellant in dienst te nemen, zodat appellant bij een terugval in werk gebruik zou kunnen maken van de NOW-regeling. Appellant heeft dit destijds geweigerd uit morele overwegingen omdat hij voor zijn gevoel dan oneigenlijk gebruik zou maken van de NOW-regeling. Als appellant dit wel had gedaan, had hij in de referteperiode een volledig salaris ontvangen.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv volgt appellant niet in zijn standpunt dat het WIA-dagloon geen juiste afspiegeling is van zijn loon. In reactie op de beroepsgronden van appellant heeft het Uwv naar voren gebracht dat de sociale verzekeringen slechts het daadwerkelijk genoten loon verzekeren. Volgens het Uwv is het vastgestelde WIA-dagloon een juiste weerspiegeling van het welvaartsniveau van appellant voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid. De door appellant gestelde omstandigheden leiden volgens het Uwv niet tot het oordeel dat het bestreden besluit voor hem onredelijk bezwarend is. De omstandigheid dat appellant zeer waarschijnlijk wegens zijn volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid niet meer in staat zal zijn om te werken en aldus zijn inkomen aan te vullen, maakt dat niet anders. Het Uwv heeft in dit kader verwezen naar de uitspraak van de Raad van 26 november 2024. [1]

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de hoogte van de WIA-uitkering per 14 februari 2023 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Niet in geschil is dat de wijze waarop het Uwv het dagloon heeft berekend, in overeenstemming is met de daarvoor geldende bepalingen in de Wet WIA en het Dagloonbesluit. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het Uwv in het geval van appellant van de voorgeschreven berekeningswijze had moeten afwijken, omdat dit leidt tot een onevenredige uitkomst.
4.2.1.
Met het bestreden besluit heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 13, eerste lid, en artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, betekent dit dat het bestreden besluit berust op een gebonden bevoegdheid die is neergelegd in een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Daarom moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het geval van appellant tot een onevenredige uitkomst leidt. Hiervan is sprake als het besluit in de gegeven omstandigheden voor appellant onredelijk bezwarend is. [2]
4.2.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de door appellant gestelde omstandigheden niet maken dat het bestreden besluit voor hem onredelijk bezwarend is. Het oordeel van de rechtbank en de hieraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Naar aanleiding van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, wordt hieraan het volgende toegevoegd.
4.2.3. De Raad heeft al eerder overwogen dat de referteperiode voor de vaststelling van het dagloon dwingend volgt uit artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit. Uit deze regeling van de referteperiode volgt dat voor de vaststelling van het welvaartsniveau niet bepalend is het loon dat werd genoten op het moment van intreden van het verzekerde risico, maar het loon dat daadwerkelijk is genoten tijdens de gehele referteperiode (historisch dagloon). Hieraan is inherent dat periodes waarin minder loon is genoten tijdens de referteperiode, een negatieve invloed hebben op de hoogte van het dagloon. De besluitgever heeft hiermee rekening gehouden en maakt daarbij geen onderscheid naar de reden waarom in een periode minder loon is ontvangen. [3] Hieruit volgt dat wat appellant heeft aangevoerd over zijn keuze om tijdens de coronapandemie niet in dienst te treden bij de inlener, niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die maakt dat moet worden afgeweken van het Dagloonbesluit. Dat appellant, zoals hij heeft gesteld, wegens zijn volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid waarschijnlijk niet meer in staat zal zijn om te werken en aldus zijn inkomen aan te vullen, maakt niet dat in het geval van appellant sprake is van een onredelijk bezwarend besluit. [4] Dit is een omstandigheid die – ondanks uiteenlopende persoonlijke situaties – ook voor andere IVAgerechtigden geldt, en daarom niet als bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt. Ook het feit dat de mentale gezondheid van appellant zou zijn verslechterd vanwege diverse factoren, waaronder stress door zijn financiële situatie, maakt niet dat sprake is van een onevenredig bezwarend besluit.

Conclusie en gevolgen

4.3.
Uit 4.1 tot en met 4.2.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de vaststelling van het dagloon op € 126,35 in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en
C. Karman als leden, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) S.P.A. Elzer

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 13 van Pro de Wet WIA
1.
Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
[…]
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld.
[…]
Artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit
1. Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, of die eindigt, in geval de arbeidsongeschiktheid is ingetreden in gelijktijdige dienstbetrekkingen, op de laatste dag van het aangiftetijdvak dat het eerst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd.
Artikel 16 van Pro het Dagloonbesluit (tekst geldend op 14 februari 2023)
Het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA en de WAO is de uitkomst van de volgende berekening:
(A – B + C) / D
waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag;
C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en
D staat voor 261.

Voetnoten

1.CRvB 26 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2276, r.o. 4.3.
2.Zie ook de uitspraak van het CBb van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190, r.o. 8.2.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 17 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2458, van 16 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:602 en van 23 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1581.
4.Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Raad van 22 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1582.