Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:466

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
24/2125 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 Wet WIAArt. 16 DagloonbesluitArt. 17 DagloonbesluitArt. 1 Dagloonbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vaststelling dagloon WIA-uitkering ondanks wegvallen storingsdiensten door coronamaatregelen

Appellant, werkzaam als Skischool Associate, ontving normaal gesproken een toeslag voor storingsdiensten die vanaf april 2020 vanwege coronamaatregelen wegvielen. Hierdoor ontving hij minder loon in de referteperiode die bepalend is voor het dagloon van zijn WIA-uitkering. Het UWV stelde het dagloon vast op € 97,80, gebaseerd op het daadwerkelijk genoten loon in de referteperiode van 1 oktober 2019 tot en met 30 september 2020.

Appellant voerde aan dat het wegvallen van de storingsdiensten als onbetaald verlof moet worden aangemerkt en dat de strikte toepassing van de dagloonregels tot een onevenredige uitkomst leidt, mede omdat hij inmiddels duurzaam volledig arbeidsongeschikt is. De rechtbank en de Raad oordeelden echter dat er geen sprake is van onbetaald verlof in de zin van artikel 17 van Pro het Dagloonbesluit, omdat geen overeenkomst of consensus bestond tussen werkgever en werknemer over het niet verrichten van arbeid.

De Raad bevestigde dat het UWV gebonden is aan het Dagloonbesluit en dat het historisch dagloon bepalend is voor het welvaartsniveau. De bijzondere omstandigheden van appellant, waaronder zijn arbeidsongeschiktheid, rechtvaardigen geen afwijking van deze regels. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de vaststelling van het dagloon bleef ongewijzigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het dagloon van € 97,80 blijft ongewijzigd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/2125 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 augustus 2024, 23/2163 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , België (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 15 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv het dagloon van de per 24 oktober 2022 aan appellant toegekende WIA-uitkering terecht heeft vastgesteld op € 97,80. Appellant heeft aangevoerd dat hij normaliter gemiddeld één keer per maand werd ingeroosterd voor een storingsdienst. Hiervoor ontving hij per keer een toeslag van € 150,- bruto bovenop zijn salaris. Vanaf april 2020 zijn er, als gevolg van de destijds geldende coronamaatregelen, geen storingsdiensten geweest en heeft appellant de toeslag van € 150,- bruto niet meer ontvangen. Volgens appellant moet dit worden aangemerkt als een periode van onbetaald verlof. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat de strikte toepassing van de dagloonregels in zijn geval leidt tot een onevenredige uitkomst. De Raad volgt appellant hierin niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het dagloon juist heeft berekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.M. Dielemans-Buiteman, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 maart 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dielemans-Buiteman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant was werkzaam als Skischool Associate. Naast zijn reguliere werkzaamheden werd appellant gemiddeld één keer per maand ingeroosterd voor een storingsdienst. Daarvoor ontving hij per keer een toeslag van € 150,- bruto bovenop zijn salaris. Vanaf april 2020 zijn er, als gevolg van de destijds geldende coronamaatregelen, geen storingsdiensten geweest en heeft appellant de toeslag van € 150,- niet meer ontvangen. Op 26 oktober 2020 heeft appellant zich ziekgemeld.
1.2.
Bij besluit van 14 september 2022 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 24 oktober 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Het WIA-dagloon is hierbij (na indexering) vastgesteld op € 97,80. Voor de berekening van het dagloon is het Uwv uitgegaan van het loon dat appellant heeft genoten in de periode van 1 oktober 2019 tot en met 30 september 2020, de zogenoemde referteperiode.
1.3.
Bij besluit van 8 maart 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het feit dat appellant door het vervallen van de storingsdiensten minder heeft kunnen werken geen reden geeft om artikel 17 van Pro het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) analoog toe te passen. Er is geen sprake van verlof, omdat nergens uit blijkt dat het wegvallen van de storingsdiensten berust op een overeenkomst tussen appellant en zijn werkgever. Verder heeft de rechtbank overwogen dat volgens vaste rechtspraak uit artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit volgt dat het loon dat daadwerkelijk is genoten tijdens de gehele referteperiode (historisch dagloon) bepalend is voor de vaststelling van het welvaartsniveau. Hierdoor hebben periodes waarin minder loon (of uitkering) is ontvangen tijdens de referteperiode invloed op de hoogte van het dagloon. [1] De rechtbank heeft in wat appellant heeft aangevoerd geen reden gezien om van dat uitgangspunt af te wijken.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat om te kunnen spreken van verlof in de zin van het Dagloonbesluit niet zozeer vereist is dat sprake is van een overeenkomst tussen werkgever en werknemer, maar vooral dat consensus bestaat tussen beiden. Dat was hier het geval. Subsidiair heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de strikte toepassing van de dagloonregels in zijn geval leidt tot een onevenredige uitkomst. Hij heeft berekend dat als de vergoedingen voor de storingsdiensten wel zouden worden meegeteld, dit ertoe zou leiden dat het dagloon ongeveer € 4,50 hoger wordt. Dit komt neer op ongeveer € 74,- bruto per maand. Gezien het lage inkomen dat appellant heeft, is dit voor hem een significant bedrag. Bovendien is inmiddels een IVA-uitkering aan appellant toegekend omdat hij duurzaam volledig arbeidsongeschikt is. Hij is dus niet in staat om de verlaging van zijn dagloon op te vangen, wat resulteert in een blijvende inkomensachteruitgang. Ter onderbouwing van zijn standpunten heeft appellant onder andere roosters van de storingsdiensten en e-mailberichten van zijn (ex-)werkgever ingediend.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de vaststelling van het dagloon in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Artikel 17 van Pro het Dagloonbesluit
5.2.
Niet in geschil is dat, nu appellant zich op 26 oktober 2020 heeft ziekgemeld, de referteperiode voor de berekening van het dagloon loopt van 1 oktober 2019 tot en met 30 september 2020. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat door het wegvallen van de storingsdiensten vanaf april 2020 sprake is geweest van (onbetaald) verlof zoals bedoeld in artikel 17 van Pro het Dagloonbesluit.
5.3.
Net als de rechtbank is de Raad van oordeel dat in dit geval geen sprake is van (onbetaald) verlof als bedoeld in artikel 17 van Pro het Dagloonbesluit. De Raad heeft al eerder overwogen dat uit de omschrijving van het begrip ‘verlof’ in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder l (voorheen: i), van het Dagloonbesluit volgt dat daarvan slechts sprake kan zijn indien tussen werkgever en werknemer is overeengekomen dat de werknemer gedurende een bepaald tijdvak voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd geen arbeid verricht. Voor het aannemen van ‘onbetaald verlof’ is niet voldoende dat gedurende een periode feitelijk niet is gewerkt en niet is doorbetaald. Er moet daarnaast een overeenkomst zijn tussen werkgever en werknemer waarin de afspraken over de periode en de omvang van het niet verrichten van arbeid zijn neergelegd. [2] Niet gebleken is dat in dit geval sprake is geweest van een dergelijke overeenkomst. Dit kan ook niet worden afgeleid uit de emailberichten die appellant in hoger beroep heeft ingediend.
Beroep op het evenredigheidsbeginsel
5.4.
Met het bestreden besluit heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit. Dit betekent dat het bestreden besluit berust op een gebonden bevoegdheid die is neergelegd in een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Daarom moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het geval van appellant tot een onevenredige uitkomst leidt. Hiervan is sprake als het besluit in de gegeven omstandigheden voor appellant onredelijk bezwarend is. [3] De door appellant gestelde bijzondere omstandigheden leiden niet tot de conclusie dat het bestreden besluit voor hem onredelijk bezwarend is. Daarvoor is het volgende van belang.
5.5.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat volgens vaste rechtspraak voor de vaststelling van het welvaartsniveau het historisch dagloon bepalend is. Het gegeven dat appellant in de referteperiode minder loon heeft genoten doordat hij als gevolg van de coronamaatregelen geen storingsdiensten meer had, maakt het besluit niet onredelijk bezwarend en betekent niet dat in het geval van appellant zou moeten worden afgeweken van het historisch dagloon. Dat appellant inmiddels als duurzaam volledig arbeidsongeschikt is aangemerkt en daardoor, zoals hij heeft gesteld, waarschijnlijk niet meer in staat zal zijn om te werken en op die manier zijn inkomen aan te vullen, maakt dit niet anders. [4]

Conclusie en gevolgen

5.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de vaststelling van het dagloon van de WIA-uitkering op € 97,80 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en C. Karman als leden, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) S.P.A. Elzer

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 13 van Pro de Wet WIA :
1. Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
[…]
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zonodig afwijkende regels gesteld.
[…]
Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder l, van het Dagloonbesluit:
verlof: een tussen de werkgever en werknemer voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen tijdvak, waarin de werknemer geen arbeid jegens de werkgever verricht, met uitzondering van verlof als bedoeld in de artikelen 3:1 en 3:2 van de Wazo;
Artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit
Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, of die eindigt, in geval de arbeidsongeschiktheid is ingetreden in gelijktijdige dienstbetrekkingen, op de laatste dag van het aangiftetijdvak dat het eerst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd.
Artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit:
Het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA en de WAO is de uitkomst van de volgende berekening:
(A – B + C) / D
waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag;
C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en
D staat voor 261.
Artikel 17 van Pro het Dagloonbesluit:
Indien de werknemer in een aangiftetijdvak in de referteperiode geen loon of minder loon heeft genoten in verband met verlof of werkstaking of omdat hij de bedongen arbeid niet heeft verricht wegens ziekte wordt bij de berekening van het dagloon, bedoeld in artikel 16, eerste lid, als loon in dat aangiftetijdvak in aanmerking genomen het loon, genoten bij dezelfde werkgever in het laatste aan dat verlof, die werkstaking of die ziekte, voorafgaande en volledig in de referteperiode gelegen aangiftetijdvak, waarin die omstandigheden zich niet hebben voorgedaan en waarin de werknemer het volledige aangiftetijdvak in dienstbetrekking tot de desbetreffende werkgever stond.
Indien er geen voorafgaand aangiftetijdvak als bedoeld in het eerste lid is, wordt bij de berekening van het dagloon, bedoeld in artikel 16, eerste lid, het loon in aanmerking genomen bij dezelfde werkgever over het aangiftetijdvak direct na afloop van dat verlof, die werkstaking of die ziekte, indien:
a. dat aangiftetijdvak geheel gelegen is in de referteperiode, en
b. de werknemer gedurende het volledige aangiftetijdvak in dienstbetrekking tot de desbetreffende werkgever stond.
3. Indien er geen aangiftetijdvak is als bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt voor ieder in de referteperiode gelegen aangiftetijdvak waarin door de werknemer geen of minder loon is genoten in verband met de in het eerste lid genoemde omstandigheden, bij de berekening van het dagloon het per aangiftetijdvak geldende overeengekomen loon in aanmerking genomen.
4. Dit artikel blijft buiten toepassing indien:
a. de toepassing van dit artikel leidt tot een lager dagloon, of
b. gedurende het aangiftetijdvak, bedoeld in het eerste lid, het te vervangen loon mede bestaat uit een uitkering in verband met de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 13 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4230 en van 18 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4170.
2.Zie de uitspraak van de Raad van 7 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3328.
3.Zie ook de uitspraak van het CBb van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190, r.o. 8.2.
4.Vergelijk de uitspraak van de Raad van 22 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1582, r.o. 5.4.3.