Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:372

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
23/256 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 DagloonbesluitArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 7:900 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging toekenning IVA-uitkering per 4 februari 2020 en geldigheid vaststellingsovereenkomst

Appellant ontving sinds november 2014 een WIA-uitkering wegens 80-100% arbeidsongeschiktheid. Op 15 mei 2020 sloten appellant en het Uwv een vaststellingsovereenkomst waarin onder meer een WIA-uitkering werd toegekend met 5 november 2012 als eerste ziektedag. Na een herbeoordeling stelde het Uwv vast dat appellant per 4 februari 2020 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en recht had op een IVA-uitkering. Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling, met name over de ingangsdatum en de berekening van het dagloon.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en gaf het Uwv opdracht opnieuw te beslissen, waarbij zij oordeelde dat het Uwv onvoldoende had gemotiveerd hoe artikel 25, lid 2, van het Dagloonbesluit was toegepast. Het Uwv nam daarop een nieuw besluit waarin het toepassen van artikel 25 werd Pro toegelicht en geen nabetaling volgde.

In hoger beroep betoogde appellant onder meer dat de vaststellingsovereenkomst ongeldig was en dat hij niet gebonden was aan de afspraken. De Raad oordeelde dat de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig tot stand was gekomen en niet in strijd was met openbare orde of goede zeden. De Raad verwierp de bezwaren over de maatmanfunctie, het maatmaninkomen, de ingangsdatum van de IVA-uitkering en de dagloonberekening. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: De toekenning van de IVA-uitkering per 4 februari 2020 wordt bevestigd en het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

23/256 WIA, 23/1259 WIA
Datum uitspraak: 2 april 2026
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 december 2022, 21/3320 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.E. de Hoop hoger beroep ingesteld en nadere gronden ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 12 december 2023 heeft mr. De Hoop zich als gemachtigde onttrokken.
Appellant heeft verzocht om vergoeding van schade.
De enkelvoudige kamer van de Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 12 maart 2025. De zaken zijn gelijktijdig behandeld met de zaken 23/347 ZW, 23/348 ZW, 23/349 ZW, 23/350 ZW, 23/351 ZW, 23/352 WW en 23/1171 WIA. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.
De Raad heeft in de zaken 23/347 ZW en 23/348 ZW, uitspraak gedaan. [1]
De Raad heeft het onderzoek in de overige zaken heropend en verwezen naar de meervoudige kamer.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
De meervoudige kamer van de Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 16 oktober 2025, gelijktijdig met de zaken 23/349 ZW, 23/350 ZW, 23/351 ZW, 23/352 WW, 23/1171 WIA. In die zaken worden afzonderlijke uitspraken gedaan. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Jong.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellant ontving vanaf 3 november 2014 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%.
1.2.
Op 15 mei 2020 hebben appellant en het Uwv een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij onder meer aan appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) en een WIAuitkering is toegekend, uitgaande van 5 november 2012 als eerste ziektedag.
1.3.
Naar aanleiding van een verzoek om herbeoordeling van appellant heeft het Uwv appellant laten onderzoeken door een externe verzekeringsarts en een externe arbeidskundige. Volgens de verzekeringsarts zijn de beperkingen die in 2019 zijn aangenomen onveranderd aanwezig, zodat de Functionele Mogelijkhedenlijst van 14 juli 2019 nog actueel is, maar zijn de beperkingen per 4 februari 2020 duurzaam te achten. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens geconcludeerd dat appellant per einde wachttijd voor 100% duurzaam arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 28 mei 2021 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 4 februari 2020 recht heeft op een uitkering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA-uitkering). Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt.
1.4.
Bij beslissing op bezwaar van 2 september 2021 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard voor wat betreft de berekening van het dagloon. Het Uwv heeft ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 25 van Pro het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit). Uit de correcte berekening volgt volgens het Uwv echter dat aanpassing van het dagloon niet tot een nabetaling leidt, omdat het onverschuldigd betaalde bedrag dan hoger wordt. Het Uwv heeft toegezegd geen bedragen terug te vorderen die verband houden met het niet toepassen van de maximering van 75% van het maximumdagloon.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant en betaling van het griffierecht. De rechtbank heeft aan het Uwv de opdracht gegeven om met inachtneming van de uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen. Daartoe heeft de rechtbank als volgt overwogen.
2.1.
Het Uwv heeft zich met betrekking tot de ingangsdatum van de IVA-uitkering kunnen baseren op de onderzoeken en de conclusies van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige. Uit de gedingstukken blijkt dat het Uwv ervan uitgaat dat de behandeling van appellant bij Lentis is afgesloten op 4 februari 2020, omdat op die datum het laatste telefonische gesprek in het kader van het behandelingstraject plaatsvond. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat de beperkingen van appellant op een eerder moment dan 4 februari 2020 als duurzaam hadden moeten worden aangemerkt door het Uwv. Het dossier biedt onvoldoende onderbouwing voor de stelling van appellant dat reeds op 1 oktober 2019 sprake zou zijn van duurzaamheid van zijn beperkingen. Dit heeft ook te gelden voor de stelling van appellant dat de behandeling die op 4 februari 2020 werd afgesloten uitsluitend gericht was op stabilisatie in plaats van herstel.
2.2.
Uit het bestreden besluit 1 heeft de rechtbank afgeleid dat geen toerekening van de uitkering aan welke werkgever van appellant dan ook plaatsvindt, waardoor niet van belang is bij welke werkgever appellant daadwerkelijk werkzaam is geweest. Ten overvloede heeft de rechtbank gewezen op eerdere procedures van appellant bij de Raad, waarin is bevestigd dat het Uwv terecht heeft aangenomen dat [naam] B.V. de werkgever van appellant was.
2.3.
De rechtbank heeft verder geoordeeld dat in de besluitvorming is uitgegaan van het maximumdagloon en dat de hoogte van het maatmaninkomen hierop niet van invloed is. Dat maatmaninkomen is alleen van invloed op de hoogte van het arbeidsongeschiktheidspercentage, maar omdat in het geval van appellant al is uitgegaan van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% heeft hij niets te winnen bij vaststelling van een hoger maatmaninkomen.
2.4.
Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat uit bestreden besluit 1 onvoldoende duidelijk wordt op welke wijze het Uwv artikel 25, tweede lid, van het Dagloonbesluit heeft toegepast. In het bijzonder kan uit het besluit niet worden afgeleid tot welk dagloon en welke WIAuitkering toepassing van die bepaling zou leiden, in hoeverre sprake is van een te hoge uitkering op grond van de ZW, en wat het verschil tussen die twee is. Ook ter zitting heeft het Uwv dit niet kunnen verhelderen, waardoor de rechtbank bestreden besluit 1 op dit punt onvoldoende gemotiveerd heeft geacht.
Bestreden besluit 2
3.1.
Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv op 30 maart 2023 een nieuwe beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen. Volgens het Uwv regelt artikel 25 van Pro het Dagloonbesluit de maximering van het dagloon bij samenloop van meerdere uitkeringen. In het bestreden besluit 2 is volgens het Uwv onderbouwd dat aanpassing van het dagloon overeenkomstig artikel 25 van Pro het Dagloonbesluit niet tot een nabetaling leidt omdat het onverschuldigd betaalde bedrag dan hoger wordt.
Het standpunt van appellant
3.2.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank en bestreden besluit 2 niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het standpunt van het Uwv
3.3.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen voor zover de gronden van appellant zijn gericht tegen de ingangsdatum van de IVA-uitkering en de toepassing van artikel 25 van Pro het Dagloonbesluit. Voor het overige heeft het Uwv gewezen op de tussen appellant en het Uwv op 15 mei 2020 gesloten vaststellingsovereenkomst. Daarnaast heeft het Uwv verzocht het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond te verklaren.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht tot de aangevallen uitspraak is gekomen aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Ook beoordeelt de Raad de beroepsgronden tegen bestreden besluit 2. Bestreden besluit 2 wordt namelijk, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep en het beroep tegen bestreden besluit 2 niet slagen.
4.1.
Appellant heeft aangevoerd dat, naar de Raad begrijpt, de tussen hem en het Uwv gesloten vaststellingsovereenkomst op verschillende onderdelen ongeldig is. Appellant is van mening dat de vaststellingsovereenkomst in strijd komt met de openbare orde en dat hij er daarom niet aan gebonden is.
4.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
4.2.1.
De definitie van het begrip ‘vaststellingsovereenkomst’ is opgenomen in artikel 7:900, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en luidt als volgt: “
Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken.
4.2.2.
Met het sluiten van een vaststellingsovereenkomst kunnen partijen zich – ter voorkoming of beëindiging van onzekerheid of geschil – binden aan een tot een vaststelling leidende beslissing over wat tussen hen rechtens is. Op het moment van sluiting van de vaststellingsovereenkomst aanvaarden partijen bewust het risico dat bepaalde zaken achteraf anders blijken te liggen dan ze dachten. Partijen hebben dat risico verdisconteerd in de overeenkomst. De vaststellingsovereenkomst is gericht op (rechts)zekerheid.
4.2.3.
De inhoud van de afspraken die partijen in een vaststellingsovereenkomst maken, mag afwijken van de wet. [2] Dit is slechts anders als de vaststellingsovereenkomst in strijd komt met de goede zeden of de openbare orde, wat inhoudt dat de vaststellingsovereenkomst zozeer in strijd is met hetgeen de wettelijke regeling – over het geheel bezien – ter zake bepaalt, dat partijen niet op nakoming daarvan mochten rekenen.
4.3.
In de vaststellingsovereenkomst zijn, gelet op de behoefte aan finale geschilbeslechting, onder meer duidelijke afspraken opgenomen tussen appellant en het Uwv over de toekenning van uitkeringen op grond van de ZW en de Wet WIA aan appellant. Ook is afgesproken dat er geen nader onderzoek plaatsvindt naar het bestaan van meerdere dienstverbanden bij een andere dan wel dezelfde werkgever. Verder is bepaald dat met deze overeenkomst sprake is van finale kwijting voor wat betreft de periode vóór 1 mei 2020 en dat dit onder meer betekent dat appellant geen nieuwe herzieningsverzoeken, aanvragen of overige verzoeken meer indient die zien op de periode voor 1 mei 2020 en dat appellant alle lopende aanvragen, bezwaar- en (hoger)beroepszaken, ingebrekestellingen, tuchtklachten en overige verzoeken intrekt. Anders dan appellant kennelijk meent, staat appellant en het Uwv geen rechtsregel in de weg aan het maken van deze afspraken, die in de kern gaan over de mate en de ingangsdatum van de arbeidsongeschiktheid.
4.4.
De inhoud van Verdrag 121 betreffende de prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten van 8 juli 1964 (ILO-conventie 121) en de doorkruisingsleer uit het arrest van de Hoge Raad van 26 januari 1990 [3] wat appellant tijdens de zitting desgevraagd als belangrijk heeft aangewezen voor zijn standpunt dat hij niet is gebonden aan de vaststellingsovereenkomst, maken het voorgaande niet anders.
4.5.1.
Dat het Uwv nimmer een vaststellingsovereenkomst met een derde zou mogen sluiten omdat dan publiekrechtelijke regelingen op een onaanvaardbare wijze worden doorkruist, volgt namelijk – anders dan appellant stelt – niet uit het arrest van de Hoge Raad van 26 januari 1990.
4.5.2.
Om welke redenen er sprake is van strijdigheid van de Nederlandse regelgeving met ILO-verdrag 121 heeft appellant niet onderbouwd, zodat de Raad geen gronden ziet waarom de gesloten vaststellingsovereenkomst hiermee in strijd zou zijn.
4.6.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de Raad van oordeel dat de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen en is er geen reden om appellant daaraan niet gebonden te achten. De beroepsgronden van appellant over de maatmanfunctie en het maatmaninkomen vallen onder de reikwijdte van de vaststellingsovereenkomst en behoeven om die reden geen bespreking.
4.7.
De gronden die appellant in hoger beroep voor het overige heeft aangevoerd, onder meer over de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek, de werkzaamheden van appellant bij andere vennootschappen dan [naam] B.V., de ingangsdatum van de IVA-uitkering en de berekening van het dagloon, zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van bestreden besluiten 1 en 2. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden dan ook geheel onderschreven.
4.8.
Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor de stelling dat appellant met andere vennootschappen een contractuele relatie is aangegaan. Dat appellant niet met andere vennootschappen een dienstverband is aangegaan, blijkt ook uit de uitspraak van de Raad van 2 april 2020. [4] Niet gebleken is dat van dit oordeel is afgeweken in de vaststellingsovereenkomst. Integendeel, onderdeel van de vaststellingsovereenkomst is de afspraak dat geen ander onderzoek zou worden verricht naar het bestaan van meerdere dienstverbanden. Tenslotte is de Raad van oordeel dat het Uwv in bestreden besluit 2 inzichtelijk heeft toegelicht op welke wijze artikel 25, tweede lid, van het Dagloonbesluit is toegepast en dat deze toepassing juist is. De beroepsgrond van appellant dat hij het, zoals hij desgevraagd ter zitting heeft bevestigd, oneens is met de berekeningswijze en de systematiek van het Dagloonbesluit, slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de toekenning van de IVA-uitkering per 4 februari 2020 in stand blijft en dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 30 maart 2023 ongegrond;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en H.G. Rottier en G.C. Boot als leden, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) D.M.A. van de Geijn

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 23 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:625.
2.Zie het arrest van de Hoge Raad van 9 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU7728.
3.HR 26 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC0965
4.CRvB 2 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:864.