ECLI:NL:CRVB:2026:250

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
19/2748 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:108 AwbArt. 7:15 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na tegemoetkoming UWV en vergoeding proceskosten en schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Appellante stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV inzake een WIA-uitkering. Tijdens de procedure werd een onafhankelijke deskundige benoemd die rapporten uitbracht. Het UWV nam op 8 september 2025 een nieuwe beslissing op bezwaar waarin appellante per 13 juni 2018 in aanmerking werd gebracht voor een IVA-uitkering, waarmee het UWV volledig aan haar bezwaren tegemoetkwam. Hierdoor trok appellante het hoger beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.

De Raad veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante, bestaande uit kosten van rechtsbijstand en deskundigen, en het betaalde griffierecht. Daarnaast werd de Staat veroordeeld tot een schadevergoeding van €3.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn van ruim drie jaar en tot vergoeding van proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding.

De redelijke termijn werd overschreden doordat de totale procedure van ontvangst bezwaarschrift tot tegemoetkomend besluit ruim zeven jaar duurde, terwijl de norm voor een procedure in drie instanties in dergelijke zaken maximaal vier jaar is. De overschrijding in de rechterlijke fase werd toegerekend aan de Staat. De Raad sloot de procedure zonder nieuwe zitting na instemming van partijen.

Uitkomst: Het hoger beroep werd ingetrokken na tegemoetkoming door het UWV; het UWV werd veroordeeld in proceskosten en de Staat in schadevergoeding en proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

19/2748 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
19/2748 WIA
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 14 juni 2019, 18/2291 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 4 maart 2026
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft prof. dr. J.W.M. van der Meer benoemd als onafhankelijke deskundige voor het instellen van een onderzoek. Op 16 september 2024 heeft deze deskundige een rapport uitgebracht en vervolgens heeft het Uwv zijn zienswijze op het rapport gegeven. De deskundige heeft op 28 februari 2025 aanvullend gerapporteerd.
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dit verzoek van appellante heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2025. De Raad heeft deze zaak gevoegd behandeld met de zaken 20/4405 WIA, 22/3540 WIA en 22/3571 WIA. Appellante heeft via videobellen aan de zitting deelgenomen. Ter zitting is voor appellante verschenen [gemachtigde] , bijgestaan door deskundigen prof. dr. F.C. Visser en dr. C.M.C. van Campen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.K. Affia, mr. M.J.H.H. Fuchs en mr. M.J. van Steenwijk, bijgestaan door medisch adviseur bezwaar en beroep drs. C.E.M. van Geest en stafverzekeringsarts bezwaar en beroep dr. J.P. Hermans.
Op 17 juli 2025 heeft de Raad een tussenuitspraak [1] gedaan, waarbij aan het Uwv is opgedragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Het Uwv heeft op 8 september 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een nieuwe zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Met de nieuwe beslissing op bezwaar van 8 september 2025 heeft het Uwv appellante per 13 juni 2018 in aanmerking gebracht voor een IVA-uitkering. Omdat het Uwv hiermee volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen, heeft zij het hoger beroep ingetrokken.
Proceskosten
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
Kosten bezwaar
Uit artikel 7:15, derde lid, van de Awb volgt dat een verzoek om de kosten van de behandeling van het bezwaar te vergoeden moet worden gedaan voordat op het bezwaar is beslist. Appellante heeft pas bij het instellen van het hoger beroep op 21 juni 2019 om een vergoeding van deze kosten verzocht. Dit verzoek kan reeds daarom niet worden gehonoreerd. In het midden zal daarom worden gelaten of overigens aan de voorwaarden voor het vergoeden van deze kosten wordt voldaan.
Kosten beroep en hoger beroep
Kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand
De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-).
In hoger beroep worden de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand begroot op € 1.245,33. Dit bedrag wordt als volgt gevonden. Er wordt 1 punt toegekend voor het indienen van het hoger beroepschrift, met een waarde van € 934,-. Voor wat betreft het verschijnen op de zitting van 28 mei 2025 is sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van Pro het Bpb met de zaken 20/4405 WIA, en 22/3540 WIA. Dit betekent dat de vergoeding van 1 punt met een waarde van € 934,- slechts voor een derde aan deze zaak moet worden toegerekend. De vergoeding voor deze zitting bedraagt dus in deze zaak € 311,33. Gevoegd bij het hiervoor genoemde bedrag van € 934,- komt het totaal van de in hoger beroep voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleend rechtsbijstand begrote kosten op het in de eerste zin van deze alinea genoemde bedrag van € 1.245,33.
De door appellante naar voren gebrachte impact van deze zaak, maakt niet dat sprake is van een van het gemiddelde afwijkende juridische en/of feitelijke complexiteit van de zaak. Voor het hanteren van een hogere wegingsfactor dan 1 (gemiddeld) wordt dan ook geen aanleiding gezien.
In totaal komen de te vergoeden kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep op € 1.868,- + € 1.245,33 = € 3.113,33.
Kosten van deskundigen
Het verzoek om vergoeding van de gemaakte kosten voor het inschakelen van de deskundigen komt (gedeeltelijk) voor toewijzing in aanmerking. Het gaat hierbij om de in beroep en hoger beroep opgestelde rapporten van prof. dr. Visser en dr. Van Campen en het bijwonen door deze partij-deskundigen van de zitting.
Gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb en het Besluit tarieven in strafzaken 2003, wordt uitgegaan van uurtarieven van € 134,04 in 2021, € 154,50 in 2024 en € 162,63 in 2025. Dit zijn ook de tarieven die zijn genoemd in de door appellante overgelegde factuur met urenspecificaties van Cardiozorg van 1 maart 2025. Ter onderbouwing van de kosten van het uitbrengen van advies aan appellante, heeft appellante verwezen naar voornoemde factuur van Cardiozorg van 1 maart 2025. Voor het beoordelen van verschillende documenten wordt 25 uur in rekening gebracht. Uitgaande van de hiervoor genoemde uurtarieven komt dan voor vergoeding van deskundigenrapporten een bedrag van € 3.801,12 in aanmerking.
Op de factuur van Cardiozorg van 1 maart 2025 wordt vier uur (á € 162,63 per uur) in rekening gebracht in verband met de aanwezigheid van prof. dr. Visser en dr. Van Campen bij de zitting van 28 mei 2025. Voor zover het gaat om deze uren is sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van Pro het Bpb met de drie onder het Procesverloop genoemde zaken, zodat de vergoeding hiervoor (€ 650,52 / 4 =) € 162,63 bedraagt.
Gelet hierop bedraagt de totale vergoeding voor het inschakelen van deskundigen € 3.963,75 (exclusief 21% btw). Inclusief btw is de vergoeding € 4.796,14.
Het totale bedrag van voor vergoeding in aanmerking komende door het Uwv te betalen proceskosten bedraagt hiermee € 3.113,33 + € 4.796,14 = € 7.909,47.
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Schadevergoeding
Wat betreft het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, wordt het volgende overwogen.
De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [2] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
Als de intrekking van het hoger beroep plaatsvindt na een tegemoetkomend besluit dan eindigt de redelijke termijn op het moment waarop het tegemoetkomend besluit is bekendgemaakt. [3]
Zoals de Raad eerder heeft overwogen [4] wordt in een geval als dit, waarin een tussenuitspraak is gedaan, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat. Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode tussen het instellen van beroep bij de rechtbank en de tussenuitspraak van de hoger beroepsrechter ten hoogste drie en een half jaar heeft geduurd en de hoger beroepsrechter vervolgens binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak doet.
In dit geval is het tegemoetkomend besluit op 8 september 2025 bekendgemaakt. Vanaf de datum van ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 28 augustus 2018 tot aan de bekendmaking van het tegemoetkomend besluit heeft de procedure zeven jaar en ongeveer twee weken geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met drie jaar en ongeveer twee weken overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 3.500,-.
De periode tussen de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 5 december 2018 tot de tussenuitspraak van de Raad op 17 juli 2025 heeft zes jaar, zeven maanden en ongeveer twee weken in beslag genomen. Dit is een overschrijding van de redelijke termijn bij de bestuursrechter van ruim 37 maanden. Dit betekent dat de termijnoverschrijding in zijn geheel aan de Staat wordt toegerekend.
Tevens is er aanleiding om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5) voor het indienen van het verzoek.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 7.909,47;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 3.500,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 467,-;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht van in totaal € 174,-vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en T. Dompeling en W.R. van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
(getekend) A.I. van der Kris
De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Voetnoten

1.CRvB 17 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:990.
2.Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
3.Zie de uitspraak van de Raad van 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.
4.Zie de uitspraak van de Raad van 7 maart 2014, ECLI:CRVB:2014:809 en ECLI:NL:CRVB:2014:2978, gerectificeerde uitspraak.