ECLI:NL:CRVB:2014:2978
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vergoeding schade wegens overschrijding redelijke termijn in sociale zekerheidsprocedure
De zaak betreft een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in een sociale zekerheidsprocedure. Het UWV stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, waarna de Centrale Raad van Beroep een tussenuitspraak deed en later een einduitspraak. De totale procedure duurde meer dan vijf jaar, waarbij de Raad vaststelde dat de redelijke termijn met ongeveer een jaar en drie maanden was overschreden.
Het UWV erkende de overschrijding in de bestuursfase en bood een vergoeding van € 500,- aan. Verzoeker stelde echter dat ook de periode na de tussenuitspraak aan het UWV moest worden toegerekend, omdat het UWV de procedure had verlengd door een gebrek in de bestreden beslissing. Het UWV betwistte dit op basis van voorwaarden uit eerdere jurisprudentie.
De Raad oordeelde dat de overschrijding in de bestuursfase volledig aan het UWV toerekenbaar is, maar dat een deel van de overschrijding in de rechterlijke fase voor rekening van de Staat komt. De Staat werd veroordeeld tot een vergoeding van € 500,- en het UWV tot € 1000,-. Daarnaast werden beide partijen ieder voor de helft veroordeeld in de proceskosten van verzoeker.
Uitkomst: Het UWV en de Staat worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.