ECLI:NL:CRVB:2026:202
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens extreem laag waterverbruik en schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving bijstand en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Naar aanleiding van een melding dat zij niet op dat adres woonde, voerde het dagelijks bestuur een onderzoek uit, waarbij bleek dat het waterverbruik extreem laag was. Dit leidde tot intrekking en terugvordering van bijstand en oplegging van een boete wegens schending van de inlichtingenverplichting.
Appellante voerde aan dat zij wel op het uitkeringsadres woonde en dat het lage waterverbruik verklaard kon worden door haar en haar kinderen die nauwelijks douchen en het niet altijd doorspoelen van het toilet. Ook wees zij op het niet extreem lage gas- en elektriciteitsverbruik en een bewoonde indruk bij huisbezoek. De Raad oordeelde dat deze omstandigheden onvoldoende zijn om het extreem lage waterverbruik te verklaren en dat de vooronderstelling van niet-woonachtig zijn niet is weerlegd.
Verder stelde appellante dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien vanwege haar psychische klachten en de medische situatie van haar zoon, en dat de boete niet evenredig was. De Raad verwierp deze gronden, oordeelde dat het dagelijks bestuur terecht heeft gehandeld en bevestigde het bestreden besluit. Appellante kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De intrekking, terugvordering en boete worden bevestigd omdat appellante de vooronderstelling van niet-woonachtig zijn op het uitkeringsadres niet heeft weerlegd.