Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:163

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
24/2487 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 53a PWArt. 54 lid 3 PWArt. 58 lid 1 PWArt. 18a PWArt. 5:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde autohandel en oplegging boete

Appellant ontvangt sinds 2018 bijstand en werd onderzocht vanwege vermoedens van handel in voertuigen die kortstondig op zijn naam stonden. Het college stelde vast dat appellant de inlichtingenverplichting schond door deze handelstransacties niet te melden, waardoor ten onrechte bijstand werd verleend.

Het college trok de bijstand over de periode februari 2021 tot juni 2023 in en vorderde de onterecht ontvangen bedragen terug, vermeerderd met een boete. Appellant voerde aan dat hij geen handel dreef en dat de gebruikte schattingen onjuist waren, maar kon dit niet aannemelijk maken. Ook stelde hij dat er sprake was van profilering en dat er dringende redenen waren om terugvordering te voorkomen, wat de Raad verwierp.

De Raad oordeelde dat het college terecht het recht op bijstand op nihil heeft gesteld, de terugvordering en boete rechtmatig zijn opgelegd en dat het verzoek om schadevergoeding en vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn niet toewijsbaar is. Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand en de opgelegde boete worden bevestigd; het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/2487 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2024, 24/3417 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 27 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om een intrekking en terugvordering van bijstand en een boete in verband met voertuigen die op naam van appellant stonden. Volgens het college is aannemelijk dat appellant met de voertuigen die korter dan drie maanden op zijn naam stonden handelstransacties heeft verricht. Appellant had dit aan het college moeten meedelen en door dat niet te doen heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg van deze schending is aan appellant over meerdere maanden ten onrechte bijstand verleend. Appellant is het daar niet mee eens, maar hij krijgt geen gelijk. Daarnaast heeft appellant verzocht om vergoeding van immateriële en materiële schade. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wordt afgewezen omdat het college geen onrechtmatige besluiten heeft genomen en de redelijke termijn niet is overschreden.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 december 2025. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Duinhouwer.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 19 november 2018 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder.
1.2.
Naar aanleiding van recente rechtspraak en een signaal van het Inlichtingenbureau over voertuigenbezit, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft een toezichthouder van de gemeente Rotterdam onder meer het kentekenregister van de Dienst Wegverkeer (RDW) geraadpleegd, vervolgens dossieronderzoek verricht, appellant op 18 juli 2023 gehoord en na een verzoek bankafschriften en in- en verkoopfacturen/verkoopovereenkomsten van appellant verkregen. Uit het onderzoek is gebleken dat in de periode van 17 februari 2021 tot en met 29 juni 2023 76 motorvoertuigen elk gedurende een korte periode op naam van appellant hebben gestaan, waarvan 74 voertuigen – na beëindiging van de tenaamstelling – zijn geëxporteerd. De bevindingen van het onderzoek staan in een rapport van 10 november 2023.
1.3.
Op basis van de resultaten van het onderzoek heeft het college met een besluit van 17 november 2023 (besluit 1) de bijstand van appellant over de periode van 1 februari 2021 tot en met 30 juni 2023 herzien, in die zin dat de bijstand van appellant over de maanden januari 2021 tot en met oktober 2021, juli 2022 en september 2022 tot en met juni 2023 (te beoordelen maanden) is ingetrokken. Ook heeft het college de over die maanden ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van in totaal € 25.819,77 van appellant teruggevorderd.
1.4.
Met een besluit van 1 januari 2024 (besluit 2) heeft het college de vordering over 2023 gebruteerd met een bedrag van € 1.821,59 en de terugvordering daarmee verhoogd.
1.5.
Met een besluit van 3 januari 2024 (besluit 3) heeft het college appellant een boete opgelegd van € 720,-.
1.6.
Met een besluit van 26 maart 2024 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant in de maanden waar het hier om gaat de inlichtingenverplichting geschonden omdat hij niet heeft gemeld dat hij met de op zijn naam geregistreerde voertuigen handelstransacties heeft verricht. Het college heeft aan de hand van de ingediende inkoop- en verkoopbewijzen, de ANWB-koerslijst en informatie van platform Autoscout een schatting gemaakt van wat appellant met de handelstransacties had kunnen verdienen en geconcludeerd dat appellant met de handelstransacties in de te beoordelen maanden ten minste een bedrag ter hoogte van de bijstandsnorm had kunnen verkrijgen. Appellant had in die maanden dan ook geen recht op bijstand. Bij de oplegging van de boete is rekening gehouden met een normale verwijtbaarheid en de draagkracht van appellant.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken. Daarnaast heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de intrekking en terugvordering van bijstand en de boete in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Intrekking
4.1.
Vaststaat dat in de periode van 1 februari 2021 tot en met 30 juni 2023 gedurende korte tijd, variërend van enkele dagen tot hooguit twee weken, 76 kentekens van motorvoertuigen (auto’s) op naam van appellant geregistreerd hebben gestaan. De registratie van deze voertuigen is in de te beoordelen maanden geëindigd, nagenoeg telkens door aanmelding voor export.
4.2.
Appellant voert allereerst aan dat sprake is van profilering. Voor zover appellant hiermee betoogt dat het rechtmatigheidsonderzoek is gebaseerd op een ongeoorloofd onderscheid, slaagt dit betoog alleen al niet omdat het dossier daar geen aanknopingspunten voor biedt. Integendeel, zoals het college in het bestreden besluit heeft opgemerkt heeft het college op grond van artikel 53a van de PW een algemene onderzoeksbevoegdheid. Dit is de bevoegdheid om onderzoek te doen naar de juistheid en volledigheid van (verstrekte) gegevens die relevant zijn voor het recht op bijstand. Het college kan deze bevoegdheid steeds en uit eigen beweging uitoefenen. Dit is vaste rechtspraak. [1] Een bijstandverlenende instantie is ook bevoegd om ten behoeve van dit soort onderzoek selecties te maken van bijstandsgerechtigden. Daarbij mogen geen discriminatoire selecties worden gemaakt. Dit is ook vaste rechtspraak. [2] Uit het dossier blijkt dat het college naar aanleiding van rechtspraak over kentekenregistraties de RDW heeft geraadpleegd en daarna heeft besloten alle bijstandsgerechtigden die in 2022 meer dan tien voertuigen op naam hadden staan, zoals appellant, nader te onderzoeken. Dit is een selectie gebaseerd op feitelijke handelingen van alle bijstandsgerechtigden die voor het recht op bijstand van belang zijn. Die selectie is daarom niet onrechtmatig. Het college stond het vervolgens vrij om, gelet op de bevindingen in het geval van appellant, het onderzoek uit te breiden naar meerdere jaren.
4.3.
Appellant voert verder aan dat hij niet in auto’s heeft gehandeld. Volgens appellant blijkt nergens uit, ook niet uit de bankafschriften, dat hij de auto’s heeft aanbetaald, gekocht of verkocht of dat hij heeft geadverteerd. Daarover heeft appellant eerst verklaard dat het allemaal auto’s waren die naar Bosnië zijn geëxporteerd. Appellant stelt dat hij alle informatie die hij had over de transacties heeft verstrekt en dat hij niet meer inkoop- en verkoopbewijzen van de voertuigen heeft. Ter zitting van de Raad heeft appellant een andersluidende verklaring afgelegd, namelijk dat hij alleen een dienst heeft verleend voor kopers uit Bosnië. Met de tijdelijke registratie van een auto op zijn naam heeft appellant ervoor gezorgd dat de gekochte auto als het ware werd gereserveerd totdat de Bosnische koper/eigenaar de auto in Nederland had opgehaald. Daarmee werd voorkomen dat de verkoper de auto aan een derde kon (door)verkopen. Appellant ontving voor de dienstverlening € 50,- per auto. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.3.1.
Aannemelijk is dat appellant wel in auto’s heeft gehandeld. Het is vaste rechtspraak [3] dat degene op wiens naam het kenteken van een voertuig bij de RDW geregistreerd staat of heeft gestaan, direct bij die registratie is betrokken. Als een persoon betrokken is geweest bij twee wijzigingen van de tenaamstelling van hetzelfde voertuig binnen een betrekkelijk korte periode en dit het geval is bij verschillende voertuigen, dan is aannemelijk dat met die voertuigen handelstransacties hebben plaatsgevonden. Deze transacties kunnen dan ook relevant zijn voor de voortzetting van bijstand en moeten daarom aan het college worden gemeld. Dat is in het geval van appellant niet anders.
4.3.2.
Bovendien kan de door appellant ter zitting gegeven verklaring voor de registraties niet wordt gevolgd, omdat juist uit de door hem ingeleverde inkoop- en verkoopbewijzen blijkt dat appellant voertuigen heeft verkocht aan een autobedrijf in [plaats] en dat dit bedrijf de voertuigen heeft geëxporteerd. Dat appellant zelf auto’s heeft gekocht is ook af te leiden uit wat hij heeft gezegd over de achtergrond van zijn belastingschuld. Het gaat om een schuld bij de Belastingdienst Toeslagen die volgens appellant is ontstaan doordat hij de kinderopvangtoeslag destijds niet heeft aangevraagd voor kinderopvang, en ook niet heeft uitgegeven aan kinderopvang, maar om te gebruiken voor onder andere de aanbetaling van auto's.
4.3.3.
Het college heeft op juiste gronden het recht op bijstand over de te beoordelen maanden op nihil vastgesteld. Voor het recht op bijstand wordt als datum van de handelstransactie de datum beschouwd waarop de kentekenregistratie op naam van betrokkene is geëindigd. Dat is de datum van de tweede wijziging van de tenaamstelling. Dit is ook vaste rechtspraak. [4] In dat kader wordt aanbieding voor export of sloop van de auto’s op één lijn gesteld met de overdracht aan derden. Verder wordt ervan uitgegaan dat de betrokkene in verband daarmee inkomsten heeft ontvangen of redelijkerwijs heeft kunnen verwerven. Als daarover onvoldoende duidelijkheid wordt verschaft is dat een grond voor intrekking van de bijstand over de maand waarin de transactie heeft plaatsgevonden, omdat als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over die maand niet kan worden vastgesteld. Maar in dit geval heeft het college het recht op bijstand wel kunnen vaststellen, en wel op de manier zoals vermeld onder 1.6. Dit wordt hierna uitgelegd.
4.3.4.
Appellant heeft geen informatie verstrekt over zijn inkomsten in verband met de handelstransacties. Het college heeft daarom een schatting van de inkomsten gemaakt aan de hand van de door appellant overgelegde in- en verkoopbewijzen, de ANWB-koerslijst en informatie van platform Autoscout. Het college heeft daaruit geconcludeerd dat appellant met de handelstransacties in de maanden waar het hier om gaat ten minste een bedrag ter hoogte van de voor hem geldende bijstandsnorm had kunnen verkrijgen, zodat hij in die maanden geen recht op bijstand had. Appellant heeft aangevoerd dat de ANWB-koerslijst en de informatie van platform Autoscout geen goede basis zijn voor die schatting, maar deze grond slaagt niet. Omdat appellant heeft verzuimd om het college tijdig te informeren over de handelstransacties, lag het op zijn weg om de nodige informatie over zijn inkomsten daaruit te verstrekken. Hij heeft dat nagelaten. Appellant heeft bovendien niet duidelijk gemaakt waarom de op de ANWB-koerslijst en informatie van platform Autoscout gebaseerde schatting onjuist is. Daarbij komt dat uit de door appellant overgelegde inkoopfacturen en autoverkoop-overeenkomsten blijkt dat hij de voertuigen heeft verkocht voor prijzen variërend van € 1.200,- tot € 4.260,-. De stelling van appellant dat hij slechts € 50,- per tenaamstelling aan inkomsten heeft genoten is om die reden dan ook niet aannemelijk.
4.3.5.
Gelet op 4.3 tot en met 4.3.3 heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bestreden besluit over de intrekking van bijstand in stand kan blijven. Appellant heeft handelstransacties in de te beoordelen maanden verricht en had die moeten melden. Omdat hij dat niet heeft gedaan, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden en is hem als gevolg daarvan in de te beoordelen maanden ten onrechte bijstand verleend. Dit betekent dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, derde lid, van de PW is voldaan, zodat het college gehouden was de bijstand over de te beoordelen maanden in te trekken.
Terugvordering
4.4.
Hiermee is ook gegeven dat het college op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW gehouden was om de kosten van bijstand over die maanden van appellant terug te vorderen.
4.5.
Appellant voert aan dat er dringende redenen waren – en nog zijn – om van terugvordering af te zien. Appellant heeft ernstige gezondheidsproblemen, heeft schulden en is verwikkeld in rechtszaken over de uitoefening van het ouderlijk gezag over zijn kind. Ter onderbouwing hiervan heeft appellant nadere stukken ingediend. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
4.5.1.
Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
4.5.2.
Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 [5] tot uitdrukking heeft gebracht, moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
4.5.3.
Op grond van wat appellant naar voren heeft gebracht heeft het college bij afweging van de betrokken belangen geen dringende redenen hoeven aannemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Duidelijk is dat appellant een moeilijke periode doormaakt als gevolg van zijn ziekte en rechtszaken. Maar uit de door hem overgelegde medische stukken, die voor het overgrote deel dateren uit 2025 en dus na het bestreden besluit, is niet af te leiden dat hij op destijds of later in een zodanig ernstige medische situatie verkeerde dat de gevolgen van de terugvordering voor hem daardoor onevenredig nadelig zijn. Ook de rechtszaken leiden niet tot die conclusie. Wat de financiële aspecten betreft geldt het volgende. Voor de schuld bij de Belastingdienst Toeslagen is van belang dat appellant hierover heeft verklaard dat hij de kinderopvangtoeslag destijds niet heeft aangevraagd voor kinderopvang, maar om te gebruiken voor schulden en de aanbetaling van auto's. De gevolgen van die schuld bij de Belastingdienst Toeslagen heeft het college daarom niet zwaar hoeven laten wegen bij de vaststelling van de onderhavige terugvordering. Bovendien blijkt uit de in hoger beroep ingediende stukken dat de Belastingdienst Toeslagen de schuld niet invordert omdat appellant geen aflossingscapaciteit heeft. Dat appellant ook andere in aanmerking te nemen schulden heeft dan de onderhavige vordering en de schuld bij de Belastingdienst Toeslagen, heeft appellant niet met verifieerbare stukken onderbouwd. Voor zover de nadelige gevolgen van de terugvordering zijn gelegen in de financiële gevolgen daarvan, is van belang dat appellant bij de invordering als schuldenaar de bescherming heeft van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Verder kan appellant, zoals het college ter zitting heeft verklaard, na tien jaar aflossen het college verzoeken om kwijtschelding van de dan nog resterende vordering.
4.5.4.
Tegen de brutering van de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd zodat deze geen bespreking behoeft.
Boete
4.6.
Het college legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag indien de belanghebbende de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Dit staat in artikel 18a van de PW. Maar het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten. Dat staat in artikel 5:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
4.6.1.
Uit 4.3 tot en met 4.3.5 volgt dat het college heeft aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de onder 4.1 vermelde handelstransacties. Appellant kan van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt. Het college was daarom verplicht een boete op te leggen. De opgelegde boete van € 720,-, berekend als twaalf maal 5% van de voor appellant toepasselijke bijstandsnorm per 1 juli 2023 en afgerond naar beneden op een veelvoud van € 10,-, is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige over appellant gebleken omstandigheden.
Verzoek om schadevergoeding
4.7.
Appellant heeft verzocht om vergoeding van materiële en immateriële schade die het gevolg is van het volgens hem onrechtmatige besluit van het college. Nu uit 4.4 tot en met 4.5.3 volgt dat het bestreden besluit rechtmatig is, moet dat verzoek om schadevergoeding worden afgewezen.
4.7.1.
Appellant heeft ook verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het verzoek om schadevergoeding moet ook in zoverre worden afgewezen. Die redelijke termijn is namelijk niet overschreden. Dit wordt hierna uitgelegd.
4.7.2.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [6] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd.
4.7.3.
De redelijke termijn begint op het moment dat appellant het bezwaarschrift heeft ingediend. Dat is in dit geval 12 december 2023, de dag waarop het college het bezwaarschrift tegen besluit 1 heeft ontvangen. In boetezaken vangt de redelijke termijn in beginsel aan als het voornemen tot boeteoplegging kenbaar wordt gemaakt. Dat is in dit geval 20 november 2023. Dit betekent dat de termijn van vier jaar als bedoeld in 4.7.2 niet is overschreden.

Conclusie en gevolgen

4.8.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het verzoek om een veroordeling tot vergoeding van schade wordt afgewezen. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering van bijstand en de boete in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en D.H. Harbers en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2026.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) L. van Beelen

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1231.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1229.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2168.
4.Zie voetnoot 1.
6.Zie onder meer de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.