ECLI:NL:CRVB:2025:743
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening beëindiging WAZ-uitkering ondanks verslechterde medische situatie
Appellant, die sinds een auto-ongeluk in 1998 arbeidsongeschikt was, ontving van 1999 tot 2004 een WAZ-uitkering. In 2004 werd deze beëindigd omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellant verzocht in 2021 om herbeoordeling vanwege een verslechterde medische situatie, waaronder een in 2010 vastgestelde hypofysetumor met acromegalie. Het UWV wees dit verzoek af omdat de WAZ-uitkering per 1 augustus 2004 was afgeschaft en er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die tot herziening konden leiden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat het onderzoek zorgvuldig was, hoewel zij oordeelde dat het UWV terecht van een hoorzitting had afgezien. Appellant stelde in hoger beroep dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat ten onrechte geen hoorzitting had plaatsgevonden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV niet ondubbelzinnig had aangetoond dat appellant afstand had gedaan van zijn recht op een hoorzitting, waardoor het besluit in strijd was met de Awb.
Desondanks bevestigde de Raad het oordeel dat het UWV terecht niet terugkwam op het besluit van 2004. De verslechterde situatie na 2004 kon geen herleving van de WAZ-uitkering rechtvaardigen. De medische beperkingen per 29 november 2004 waren bepalend, niet de latere diagnose. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het UWV heeft terecht geweigerd terug te komen op het besluit uit 2004 tot beëindiging van de WAZ-uitkering ondanks verslechterde medische situatie na die datum.