ECLI:NL:CRVB:2025:566
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WIA-uitkering met ingang van 2016
Appellante verzocht het UWV om terug te komen op het besluit van 19 april 2019, waarbij een WIA-uitkering werd toegekend met ingang van 14 februari 2018, en wilde dat de uitkering met terugwerkende kracht per 14 februari 2016 zou ingaan. Het UWV wees dit verzoek af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden. De rechtbank Zeeland-West-Brabant vernietigde het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat het UWV alsnog een deugdelijke beoordeling uitvoerde.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat appellante medisch gezien in staat was eerder een WIA-aanvraag te doen, mede omdat haar depressie in 2016 in remissie was en zij toen weer sociale contacten onderhield en aan werk dacht. Ondanks psychische problematiek was zij in staat om contact te zoeken met de huisarts voor een verwijzing. Appellante maakte niet aannemelijk dat haar situatie ernstiger was dan door de verzekeringsarts werd aangenomen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het oorspronkelijke besluit evident onredelijk was vanwege psychosociale problematiek en een opname in 2017, maar de Raad oordeelde dat dit geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die herziening rechtvaardigen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en concludeerde dat het UWV terecht niet is teruggekomen op het besluit van 2019. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en appellante kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht niet is teruggekomen op het besluit van 2019 en de WIA-uitkering per 14 februari 2018 blijft toegekend.