Appellant had bijzondere bijstand aangevraagd voor woonkosten en griffierechtkosten, welke door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag werden afgewezen vanwege voldoende draagkracht. De rechtbank beperkte het beroep tot deze aanvragen en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank ten onrechte het beroep beperkte en dat de draagkrachtberekening onjuist was, onder meer omdat reiskosten niet waren meegenomen. De Raad oordeelde dat het beroep terecht beperkt was tot woon- en griffierechtkosten en dat het college de draagkracht voor woonkosten terecht had vastgesteld, waarbij de kale huur vermeerderd met toegestane servicekosten als uitgangspunt diende.
De Raad stelde echter vast dat het college de draagkracht voor de griffierechtkosten onjuist had berekend, omdat het inkomen lager was dan 110% van de bijstandsnorm, waardoor volgens het beleid geen draagkracht bestaat. Daarom vernietigde de Raad het besluit voor zover het griffierecht betreft en kende bijzondere bijstand toe voor deze kosten. Appellant krijgt tevens het betaalde griffierecht terug, maar geen proceskostenvergoeding.