Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving een toeslag op zijn WIA-uitkering die door het UWV werd herzien en teruggevorderd over de periode van 1 mei 2020 tot en met 31 maart 2022, omdat hij niet had doorgegeven dat hij een ABP-pensioen ontving en dat zijn zoon bij hem inwoonde. Het UWV matigde de terugvordering door niet terug te vorderen over de periode voor mei 2020.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV binnen de wettelijke kaders handelde, ook al betekende de terugvordering een groot bedrag. De rechtbank hield rekening met de financiële situatie van appellant door het invorderingstraject aan te passen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV een dringende reden had moeten aannemen om af te zien van terugvordering of deze te matigen, mede vanwege zijn financiële situatie en het feit dat zijn bewindvoerder de toeslagaanvraag had ingediend. De Raad oordeelde echter dat het UWV alle relevante feiten en omstandigheden juist had meegewogen en dat appellant zelf verantwoordelijk was voor het niet doorgeven van wijzigingen.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. De terugvordering blijft onverminderd van kracht, waarbij het UWV rekening heeft gehouden met de aflossingscapaciteit van appellant en de financiële gevolgen van de terugvordering. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De herziening en terugvordering van de toeslag op de WIA-uitkering worden bevestigd en blijven onverminderd van kracht.