ECLI:NL:CRVB:2025:1818

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
24/2093 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering terug te komen van het besluit tot toekenning van een WIA-uitkering en de vaststelling van arbeidsongeschiktheid

In deze zaak gaat het om de weigering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om terug te komen van een eerder besluit van 4 mei 2015, waarbij aan appellant een WIA-uitkering is toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 69%. Appellant stelt dat er nieuwe medische informatie is die aanleiding geeft om het eerdere besluit te herzien. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het Uwv terecht heeft geoordeeld dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die een herziening rechtvaardigen. De Raad volgt de argumentatie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die in zijn rapporten heeft aangetoond dat de medische informatie die appellant heeft ingediend, niet nieuw is en niet leidt tot een andere conclusie over de mate van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, en de Raad bevestigt deze uitspraak. De Raad concludeert dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het besluit van 4 mei 2015 terecht is en dat er geen sprake is van onredelijkheid in de besluitvorming van het Uwv. De uitspraak van de rechtbank blijft in stand, en appellant krijgt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.

Uitspraak

24/2093 WIA
Datum uitspraak: 4 december 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 augustus 2024, 23/7630 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht niet is teruggekomen van het besluit van 4 mei 2015 waarbij aan appellant met ingang van 2 juni 2015 een WIA-uitkering is toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 69%. Appellant is van mening dat sprake is van nieuwe medische informatie op grond waarvan moet worden teruggekomen van het besluit van 4 mei 2025 en op grond waarvan hij per 2 juni 2015 volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht niet is teruggekomen van het eerdere besluit.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2025. Namens appellant is verschenen drs. M.P.W.M. Wiertz , samen met de partner van appellant [naam partner] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is werkzaam geweest als assistent inkoop voor 40 uur per week. Op 4 juni 2013 is hij vanwege psychische klachten ziek uitgevallen. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 4 mei 2015 appellant met ingang van 2 juni 2015 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 69,63%. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
1.2.
Met een formulier van 22 februari 2018 heeft appellant aan het Uwv gemeld dat zijn medische situatie per 1 januari 2018 is verslechterd. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft het Uwv bij besluit van 20 juni 2018 aan appellant per 1 maart 2018 een IVA-uitkering toegekend, omdat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Daarbij is een brief van 4 maart 2016 van de psychiater dr. R. Hoekstra, met daarbij gevoegd een verslag van een neuropsychologisch onderzoek over de periode oktober 2015 tot januari 2016 van een klinisch neuropsycholoog en een GZ-psycholoog, betrokken.
1.3.
Op 19 september 2022 heeft appellant het Uwv verzocht het besluit van 4 mei 2015 te herzien. Appellant heeft gesteld dat de brief van 4 maart 2016 van de psychiater een nieuw feit is, die niet eerder bekend was en ook niet eerder kon worden ingebracht en waaruit volgt dat hij op 2 juni 2015 meer arbeidsongeschikt was.
1.4.
Na onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 11 mei 2023 geconcludeerd dat geen sprake is van nieuwe medische gegevens die maken dat moet worden teruggekomen op het besluit van 4 mei 2015.
1.5.
Het bezwaar van appellant heeft het Uwv bij besluit van 9 oktober 2023 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 september 2023 ten grondslag. Volgens het Uwv is geen sprake van nieuw gebleken feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 27 september 2023 deugdelijk gemotiveerd heeft toegelicht dat uit de door appellant overgelegde medische informatie geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn gebleken. Uit het rapport van 8 mei 2018 van de verzekeringsarts dat ten grondslag ligt aan het besluit van 20 juni 2018 blijkt dat appellant toen heeft vermeld dat zijn mogelijkheden en met name zijn energieniveau zijn afgenomen sinds 2015, wat heeft geleid tot een verdergaande urenbeperking en een mate van arbeidsongeschiktheid 80 tot 100%. In het rapport van 10 juli 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat in 2015 reeds melding is gemaakt van een paniekstoornis en dat hier beperkingen voor zijn opgenomen. Dat later de diagnose ADD is gesteld maakt de objectieve waarnemingen destijds en de beschreven klachten niet anders, omdat de verzekeringsarts destijds al relatief forse psychische beperkingen heeft aangenomen. De stelling van appellant dat hij vanaf juni 2015 twaalf uur per week werkzaam was en om die reden meer balans had in zijn ziektebeeld is onvoldoende om aan te nemen dat in 2015 de situatie anders was dan uit de medische stukken blijkt. Volgens vaste rechtspraak is een diagnose niet doorslaggevend bij de vraag of sprake is van arbeidsongeschiktheid omdat het gaat om te objectiveren beperkingen voor het verrichten van arbeid. In wat appellant heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
Standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellant is sprake van een nieuwe feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Het nieuwe feit betreft het feit dat de behandelend psychiater op 4 maart 2016 heeft vastgesteld dat met medicatie en behandeling een aanzienlijke verbetering was behaald, dat appellant weer dagbesteding verrichtte en dat met behandeling daarin geen verdere verbetering meer was te brengen. Daarbij is volgens appellant van belang geacht dat appellant sinds 1 juni 2015 gedurende twaalf uur per week werkzaam was en dat daarin verder geen verbetering was te bereiken. De brief van 4 maart 2016 heeft volgens appellant dan ook betrekking op de situatie ten tijde van de einde wachttijd, te weten 2015. Omdat deze informatie in 2015 niet kon worden ingebracht is sprake van een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb, op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat hij al per 2 juni 2015 volledig arbeidsongeschikt was. De stelling van het Uwv dat pas per 1 juni 2018 reden was voor aanscherping van de belastbaarheid is daarom volgens appellant niet juist. Appellant was al in 2015 niet in staat dan meer dan twaalf uur te werken.
3.2.
Verder meent appellant dat de rechtbank ten onrechte slechts beoordeeld of sprake is van een nieuw feit, terwijl het Uwv volgens appellant een volle toets van de oorspronkelijke besluitvorming heeft verricht. Uit vaste rechtspraak volgt dat, in het geval het bestuursorgaan na een herzieningsverzoek een volle toets heeft uitgevoerd, de rechter het door het bestuursorgaan ingenomen standpunt vol toetst.
3.3.
Tot slot heeft appellant aangevoerd dat de uitspraak van de rechtbank is gedaan door een andere rechter dan die de mondelinge behandeling ter zitting heeft geleid. Een mededeling van wisseling van rechter na de mondelinge behandeling en de uitspraak is niet ontvangen. Dit geeft volgens appellant, ook gelet op het feit dat hij zich niet goed herkent in de uitspraak, aanleiding voor het vermoeden dat de rechter die het beroep heeft beoordeeld mogelijk niet ten volle op de hoogte is geweest van wat ter zitting is besproken.
Het standpunt van het Uwv
3.4.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. In hoger beroep heeft het Uwv nog een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 oktober 2015 ingediend.

Het oordeel van de Raad

4.1.
Op het verzoek van appellant van 19 september 2022 heeft het Uwv beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. De Raad overweegt dat uit het besluit van 11 mei 2023 en de onderliggende stukken niet blijkt dat het Uwv een volledige nieuwe arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per einde wachttijd heeft verricht. Uitsluitend is beoordeeld in hoeverre de door appellant verstrekte informatie zich verhoudt tot de informatie die al bekend was in 2015. Gelet op deze terughoudende toets heeft het Uwv het verzoek van appellant terecht beoordeeld op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.
4.2.
Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter aan de hand van wat een betrokkene heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. [1]
4.3.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb worden verstaan feiten en omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten en omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
4.4.
Vaststaat dat appellant tegen het besluit van 4 mei 2015 geen bezwaar heeft gemaakt, zodat dit besluit in rechte vaststaat. Ook tegen het besluit van 26 juni 2018 waarbij aan appellant met ingang van 1 maart 2018 een IVA-uitkering is toegekend, heeft hij geen bezwaar gemaakt.
4.5.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapporten van 27 september 2023, het in beroep ingebrachte rapport van 10 juli 2024 en het in hoger beroep ingebrachte rapport van 7 oktober 2025 inzichtelijk en deugdelijk gemotiveerd heeft dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb op grond waarvan moet worden teruggekomen van de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van 69,6% per 2 juni 2015.
4.6.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft erop gewezen dat de verzekeringsarts bij de eindewachttijdbeoordeling in 2015 melding heeft gemaakt van een paniekstoornis op basis waarvan forse beperkingen zijn aangenomen, waaronder een urenbeperking van 6 uur per dag en maximaal 25 uur per week. De brief van de psychiater van 4 maart 2015 duidt niet op een ernstiger beeld in 2015. De psychiater vermeldt in zijn brief van 4 maart 2016 dat bij appellant geen ADHD kon worden vastgesteld en dat uitgegaan wordt van een paniekstoornis in gedeeltelijke remissie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft terecht opgemerkt dat de informatie van de psychiater in lijn is met de medische bevindingen en de daarop gebaseerde beperkingen waarvan de verzekeringsarts bij de eindewachttijdbeoordeling is uitgegaan en dat uit die informatie blijkt dat behandeling ertoe heeft geleid dat de paniekstoornis gedeeltelijk in remissie is geraakt en de psychische gesteldheid in maart 2016 zich heeft verbeterd. Het standpunt van het Uwv dat op grond van de brief van de psychiater van 4 maart 2016 niet blijkt dat de situatie in 2015 anders was dan waar het Uwv indertijd van is uitgegaan, wordt gevolgd. Ook verder zijn daarvoor in het dossier geen aanknopingspunten te vinden. Dat bij de eindewachttijdbeoordeling ten onrechte zou zijn uitgegaan van een maximale urenomvang van 25 uur en niet van twaalf uur levert evenmin een nieuw feit op. Deze informatie was immers toen al bekend. Bovendien volgt uit de brief van de psychiater geenszins dat twaalf uur werken voor appellant al in 2015 het maximum was. Zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht heeft opgemerkt blijkt nergens uit dat de beperkingen van appellant toentertijd zijn onderschat.
4.7.
Gelet op het voorgaande betekent dit dat de verwijzing in het bestreden besluit naar het oorspronkelijke besluit, de afwijzing van het herzieningsverzoek in beginsel kan dragen en dat vervolgens moet worden beoordeeld of die afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is. Als een oorspronkelijk besluit onmiskenbaar onjuist is, dan kan dat worden betrokken bij de beoordeling of de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is. Van onmiskenbare onjuistheid is sprake als bij oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of summier onderzoek al blijkt dat het oorspronkelijke besluit onjuist is. [2] Niet gebleken is dat het besluit van 4 mei 2015 onmiskenbaar onjuist is. Ook anderszins is niet gebleken dat de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk zou zijn.
4.8.
Tot slot overweegt de Raad dat uit het proces-verbaal van de zitting van 25 juli 2024 volgt dat rechter mr. P. Vrolijk het onderzoek ter zitting heeft behandeld en dat deze rechter ook de uitspraak heeft gedaan. Van een wisseling van behandelend rechter na de zitting en de uitspraak is niet gebleken. De rechterlijke uitspraak is dus mede gebaseerd op een voorafgaande mondelinge behandeling door de rechter ten overstaan van wie de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. Er is dan ook geen sprake van een procedure fout van de rechtbank.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om terug te komen van het besluit van 4 mei 2015 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van H.Z. Şipal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2025.
(getekend) M.E. Fortuin
De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 23 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1106, 19 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1363 en van 16 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:118.