ECLI:NL:CRVB:2025:1818
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WIA-uitkering op grond van ontbreken nieuwe feiten
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 mei 2015 waarbij hem een WIA-uitkering werd toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 69,63%. Hij stelde dat er sprake was van nieuwe medische informatie die rechtvaardigt dat het besluit wordt herzien en dat hij per 2 juni 2015 volledig arbeidsongeschikt was.
Het UWV heeft dit verzoek beoordeeld op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en geconcludeerd dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die een herziening rechtvaardigen. Zowel de rechtbank Rotterdam als de Centrale Raad van Beroep hebben dit standpunt bevestigd na beoordeling van medische rapporten en het proces-verbaal van de zitting.
De Raad overwoog dat de brief van de psychiater uit 2016 geen nieuw feit oplevert omdat deze informatie in lijn is met de eerdere medische beoordeling en beperkingen die reeds in 2015 bekend waren. Ook de stelling dat appellant in 2015 slechts twaalf uur per week kon werken, vormt geen nieuw feit omdat deze informatie destijds al bekend was.
De Raad concludeerde dat het oorspronkelijke besluit niet onmiskenbaar onjuist is en dat de afwijzing van het herzieningsverzoek niet evident onredelijk is. Tevens is vastgesteld dat de rechter die de zitting behandelde ook de uitspraak heeft gedaan, zodat er geen procedurele fouten zijn geconstateerd.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van het UWV om terug te komen op het besluit blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht niet is teruggekomen op het besluit van 4 mei 2015 en verklaart het hoger beroep ongegrond.