Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 14 januari 2022 ongegrond.
Centrale Raad van Beroep
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vraag centraal of het UWV de ingangsdatum van de IVA-uitkering terecht heeft vastgesteld op 15 maart 2020, 52 weken voor het verzoek om herbeoordeling van 15 maart 2021. De werkgever (betrokkene) had verzocht om een eerdere ingangsdatum van 17 februari 2017, gebaseerd op een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De rechtbank had het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het besluit vernietigd, omdat het UWV volgens de rechtbank onzorgvuldig had gehandeld door een herbeoordeling niet tijdig uit te voeren. De rechtbank vond dat dit een bijzondere omstandigheid vormde die afwijking van de gebruikelijke 52-weken termijn rechtvaardigde.
Het UWV stelde in hoger beroep dat er geen sprake was van een bijzonder geval en dat de eerdere besluiten rechtsgeldig zijn. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het begrip 'bijzonder geval' restrictief moet worden uitgelegd en dat het nalaten van een herbeoordeling door het UWV geen bijzondere omstandigheid oplevert. De Raad vond dat de bewijslast voor een bijzonder geval bij de aanvrager ligt en dat betrokkene onvoldoende had onderbouwd waarom zij niet eerder een herbeoordeling kon aanvragen.
De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond, waarmee de ingangsdatum van de IVA-uitkering op 15 maart 2020 blijft staan.
Uitkomst: De ingangsdatum van de IVA-uitkering blijft vastgesteld op 15 maart 2020; het beroep wordt ongegrond verklaard.