ECLI:NL:CRVB:2015:2337
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.E. Bakker
- G. Van Zeben-de Vries
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bezwaar tegen beëindiging WGA-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellant, een eigenrisicodrager, betwistte het besluit van het UWV om de WGA-uitkering van een werknemer per 30 mei 2012 te beëindigen na een herbeoordeling van diens arbeidsongeschiktheid. Appellant stelde dat de herbeoordeling eerder had moeten plaatsvinden, namelijk per 3 juli 2010 of subsidiair per 27 december 2011, en dat het UWV hierdoor een wettelijke verplichting had geschonden.
De rechtbank Oost-Brabant oordeelde dat er geen wettelijke verplichting tot herbeoordeling van gedeeltelijk arbeidsgeschikten bestaat. De voorheen verplichte herbeoordelingen waren afgeschaft en ook uit de wetsgeschiedenis en relevante wetsartikelen kon geen zodanige verplichting worden afgeleid. De eerdere uitspraken waarop appellant zich beroept, betroffen slechts situaties waarin een verzekeringsarts of arbeidsdeskundige een herbeoordeling adviseerde, maar boden geen grondslag voor een algemene herbeoordelingsplicht.
In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd trad door de wettelijke grondslag te betrekken, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat dit onderdeel juist onderdeel was van het geschil. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat geen wettelijke verplichting tot herbeoordeling bestaat en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV geen wettelijke verplichting had tot eerdere herbeoordeling en wijst het hoger beroep af.