Appellant heeft in meerdere zaken hoger beroep ingesteld tegen uitspraken over het recht op bijstand. Tijdens de procedure is een schikking getroffen, waarna appellant het hoger beroep introk en verzocht om proceskostenvergoeding. De Raad oordeelt dat het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat appellant akkoord ging met het schikkingsvoorstel waarin het college geen proceskostenvergoeding wilde betalen.
Daarnaast heeft appellant een verzoek ingediend om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De Raad stelt vast dat de totale duur van de procedure vanaf het eerste bezwaar op 15 maart 2019 tot de schikking op 31 juli 2025 ruim zes jaar bedroeg, wat twee jaar en vier maanden langer is dan de redelijke termijn van vier jaar. Daarom kent de Raad een schadevergoeding toe van € 2.500,-.
Vanwege de bijzondere omstandigheden wordt deze schadevergoeding gelijk verdeeld tussen het college en de Staat, die elk worden veroordeeld tot betaling van € 1.250,-. Tevens worden beide partijen veroordeeld in de proceskosten van appellant, ieder voor € 226,75. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 7 oktober 2025.