Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en woonde in een gekraakt pand waar hij een ruimte bewoonde die hij als zelfstandige woning beschouwde. Het college paste de kostendelersnorm toe op basis van het aantal medebewoners ingeschreven in de Basisregistratie Personen, wat leidde tot herzieningen en terugvorderingen van bijstand.
Appellant voerde aan dat zijn woonruimte een zelfstandige woning was, omdat hij over essentiële voorzieningen beschikte en de ruimte kon afsluiten en bereiken zonder gemeenschappelijke ruimtes te passeren. De Raad oordeelde echter dat de ruimte niet als zelfstandige woning kan worden aangemerkt, omdat er geen aansluiting op de riolering was en geen zelfstandige aansluitingen op water en elektriciteit.
De rechtbank had de bestreden besluiten in stand gelaten, en de Raad bevestigde dit oordeel. Ook het verzoek om herziening van een besluit werd afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die een herziening rechtvaardigen. De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.