ECLI:NL:CRVB:2024:2392
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering onterecht wegens onvoldoende geschiktheid voor laatst verrichte werk
Appellante was werkzaam als huishoudelijk medewerkster en meldde zich in januari 2016 ziek. Na een WIA-beoordeling werd zij ongeschikt bevonden voor haar eigen werk, maar wel geschikt voor andere functies. Zij ontving een WW-uitkering en later een Ziektewet-uitkering die het UWV per 24 december 2020 beëindigde op grond van geschiktheid voor haar arbeid.
De rechtbank oordeelde dat appellante geschikt was voor haar arbeid, gebaseerd op een gecombineerde maatstaf van haar laatst verrichte werk als caregiver en geselecteerde functies uit de WIA-beoordeling. Appellante stelde dat de rechtbank ten onrechte de rapporten van verzekeringsartsen als juist beschouwde en dat haar beperkingen onvoldoende werden erkend.
De Raad oordeelt dat het UWV onvoldoende heeft onderbouwd waarom appellante, met vergelijkbare beperkingen als bij de WIA-beoordeling, toch geschikt zou zijn voor haar laatst verrichte werk. De werkomgeving en taken van haar functie als caregiver zijn vergelijkbaar met het eerdere werk, met belastende aspecten die niet zijn weggenomen. Daarom is het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering onterecht en wordt het herroepen.
De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante en vergoedt het betaalde griffierecht. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de ZW-uitkering wordt voortgezet vanaf 24 december 2020.
Uitkomst: De Ziektewet-uitkering van appellante wordt per 24 december 2020 voortgezet omdat het UWV onvoldoende heeft aangetoond dat zij geschikt was voor haar laatst verrichte werk.