Appellant, werkzaam als stoffeerder/leersnijder en schoonmaker, ontving een Ziektewet-uitkering na ziekmelding wegens gezondheidsklachten. Het UWV beëindigde de uitkering per 7 september 2011 op grond van een oordeel dat appellant geschikt was voor arbeid. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV en de rechtbank werd afgewezen. In hoger beroep stelde appellant dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn beperkingen.
De Raad vroeg het UWV om nadere toelichting op de gehanteerde maatstaf arbeid, waarbij werd vastgesteld dat het UWV onterecht niet had meegewogen dat appellant gedurende tien maanden als leersnijder 6 uur per week had gewerkt. Volgens vaste jurisprudentie moet de laatst verrichte arbeid als maatstaf worden genomen, tenzij deze slechts kort was verricht en niet kon worden volgehouden.
De Raad oordeelde dat de combinatie van het werk als leersnijder en de voorheen gehanteerde functies in het kader van de Wet WIA als juiste maatstaf arbeid moet gelden. Het besluit van het UWV was daarmee in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad vernietigde het bestreden besluit en het vonnis van de rechtbank, herroept het besluit van 6 september 2011 en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant.