Betrokkene ontving bijstand op grond van de Participatiewet en had sinds 2017 maandelijks inkomsten uit arbeid die werden verrekend met de bijstand van de opvolgende maand. In april 2020 werd de bijstand ingetrokken vanwege inkomsten boven de norm. Het college vorderde een bedrag van € 923,94 terug, bestaande uit daadwerkelijk ontvangen bijstand, ingehouden bedragen en verrekende inkomsten.
De rechtbank had het terugvorderingsbedrag beperkt tot het daadwerkelijk ontvangen bedrag van € 123,88, stellende dat alleen dat bedrag als kosten van ten onrechte verleende bijstand kan worden teruggevorderd. Het college ging hiertegen in hoger beroep.
De Raad oordeelt dat ook ingehouden bedragen, zoals verrekende inkomsten en reserveringen, als kosten van ten onrechte verleende bijstand kunnen worden teruggevorderd indien de bijstand over de betreffende maand wordt herzien of ingetrokken. De Raad vernietigt het oordeel van de rechtbank en stelt het terugvorderingsbedrag vast op € 871,32.
Verder wijst de Raad het beroep van betrokkene af dat het college te laat zou hebben gehandeld op grond van de zesmaandenjurisprudentie. Het college heeft tijdig na het verzoek tot beëindiging van de bijstand stappen ondernomen. De Raad bevestigt de bevoegdheid van het college tot terugvordering van de kosten van ten onrechte verleende bijstand, inclusief ingehouden bedragen.