ECLI:NL:CRVB:2024:1043
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens verblijf langer dan vier weken buiten Nederland zonder zeer dringende redenen
Appellanten verbleven van 11 december 2021 tot 15 februari 2022 in Irak, langer dan de wettelijk toegestane vier weken buiten Nederland voor het behoud van bijstand. Het dagelijks bestuur trok de bijstand over deze periode in op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Participatiewet (PW).
Appellanten stelden dat zij vanwege zeer dringende redenen, waaronder besmetting met het coronavirus en reisbeperkingen, toch recht hadden op bijstand. De rechtbank oordeelde dat deze omstandigheden geen acute noodsituatie vormden die bijstand noodzakelijk maakte. De Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de coronagerelateerde omstandigheden slechts verklaarden waarom appellanten niet eerder konden terugkeren, maar geen schrijnende situatie opleverden.
Daarnaast voerden appellanten aan dat eerdere adviezen tijdens de eerste lockdown tot bijstandverlening leidden en dat het dagelijks bestuur hierdoor willekeurig zou handelen. De Raad wijst dit af omdat het advies alleen op de eerste lockdown zag en de situatie tijdens de tweede lockdown anders was. Appellanten hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat zij zonder bijstand in ernstige medische of levensonderhoudsnood verkeerden.
De Raad verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de bijstand. Appellanten krijgen geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens verblijf langer dan vier weken buiten Nederland zonder zeer dringende redenen wordt bevestigd.