ECLI:NL:CRVB:2023:1941
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens te lang verblijf in buitenland zonder acute noodsituatie
Appellante verbleef in de periode van 12 februari 2021 tot en met 14 maart 2021 te lang in het buitenland, waardoor zij op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Participatiewet geen recht had op bijstand. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam trok de bijstand in en vorderde de kosten terug.
Appellante voerde aan dat zij vanwege een acute noodsituatie, namelijk het ondersteunen van haar kleindochter die slachtoffer was van huiselijk geweld en haar eigen besmetting met Covid-19, niet eerder naar Nederland kon terugkeren. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze omstandigheden weliswaar de reden waren voor haar verblijf in het buitenland en de vertraagde terugkeer, maar niet voldeden aan de strenge criteria van een acute noodsituatie zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Participatiewet.
De Raad benadrukte dat zeer dringende redenen alleen gelden bij schrijnende situaties die onaanvaardbaar zijn zonder bijstand, zoals levensbedreigende omstandigheden of blijvend ernstig letsel. Omdat appellante niet aannemelijk maakte dat zij in een dergelijke noodsituatie verkeerde, werd het beroep ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.
De intrekking en terugvordering van de bijstand blijven daarmee in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en het betaalde griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand blijven in stand.