Appellanten ontvingen bijstand en een immateriële schadevergoeding van €45.000,- na een ongeval met blijvend letsel. Het college rekende ten onrechte 2/3 van deze vergoeding als vermogen, waardoor bijstand werd ingetrokken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak.
De Raad oordeelt dat de schadeverzekeraar, NN, geen belanghebbende is omdat haar belang slechts voortvloeit uit een contractuele relatie met appellanten en niet rechtstreeks door het besluit wordt geraakt. De Raad benadrukt dat het college bij het beoordelen van immateriële schadevergoedingen een individuele, zorgvuldige en transparante belangenafweging moet maken.
Gezien het blijvende letsel en de resterende levensverwachting van 30 jaar, moet de immateriële schadevergoeding worden toegerekend aan deze periode, waardoor het bedrag per jaar relatief laag is. Het college had het gehele bedrag vrij moeten laten. De intrekking van de bijstand is daarom onterecht en wordt herroepen.
Daarnaast is de redelijke termijn overschreden, waarvoor appellanten een schadevergoeding van €500,- wordt toegekend. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak van 14 mei 2019 wordt vernietigd en het besluit van 12 december 2018 herroepen.