Uitspraak
15 november 2022, 20/1291 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant verzocht het UWV om terug te komen op besluitvorming uit 2007 en 2008 in het kader van de Werkloosheidswet, met uitzondering van een boete die het UWV introk. Het UWV wees het verzoek af, waarop appellant bezwaar maakte en vervolgens in beroep ging bij de rechtbank Limburg. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit van het UWV.
Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV de eerdere besluiten onjuist had genomen en dat hij recht had op een hogere WW-uitkering. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die herziening rechtvaardigen. De Raad bevestigde dat het UWV het verzoek terecht heeft afgewezen op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad benadrukte dat nieuw gebleken feiten of omstandigheden feiten zijn die na het eerdere besluit zijn ontstaan of niet eerder konden worden aangevoerd. De stukken van appellant bevatten geen dergelijke nova. Ook was het verzoek evident niet onredelijk. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding en het betaalde griffierecht werd niet teruggegeven.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV blijft in stand.