Appellant verzocht in september 2021 om verhoging van zijn AOW-pensioen met terugwerkende kracht vanaf 2002. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit aanvankelijk af, waarna de rechtbank oordeelde dat de Svb zijn besluit beter moest motiveren. Na aanvullend onderzoek stelde de Svb het pensioen vast op 88% van het maximum vanaf september 2016 en 94% vanaf september 2021.
De Raad vernietigt het eerdere vonnis voor zover de rechtbank de Svb opdroeg een nieuw besluit te nemen met volledige herbeoordeling, omdat de Svb slechts een beperkte toets toepaste conform beleidsregel SB1076. De Raad bevestigt dat appellant niet verzekerd was in de periodes 1979-1982 en 2000-2001, gelet op zijn verblijf en werk in Duitsland en Spanje.
De Raad oordeelt dat de Svb terecht de verhoging van het pensioen beperkt heeft tot vijf jaar terugwerkende kracht en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om hiervan af te wijken. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen wegens gebrek aan concreet bewijs van ernstig psychisch letsel. Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de Svb’s besluit blijft in stand.