ECLI:NL:CRVB:2023:1916
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verhoging nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht van vijf jaar
Appellante was gehuwd met een man die in polygamie was getrouwd met twee echtgenotes. Na zijn overlijden in 1992 kreeg zij samen met de eerste echtgenote ieder de helft van de nabestaandenuitkering toegekend. In 2021 ontdekte de Sociale verzekeringsbank (Svb) dat appellante recht had op een volledige nabestaandenuitkering vanaf 1 april 2016, omdat de eerste echtgenote in 2004 de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt en haar recht op uitkering was geëindigd.
De Svb kende daarom met terugwerkende kracht van vijf jaar een volledige uitkering toe en betaalde een bedrag van ruim €38.000 netto na. Appellante maakte bezwaar tegen de beperkte terugwerkende kracht en vorderde een volledige uitkering vanaf 1 juli 2004. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van de Svb.
In hoger beroep stelde appellante dat de Svb had moeten afwijken van het beleid en de uitkering vanaf 2004 had moeten verhogen. De Raad oordeelde echter dat de Svb terecht het beleid volgde om een maximale terugwerkende kracht van vijf jaar toe te passen, omdat sprake was van een fout van de Svb en het besluit rechtens onaantastbaar was geworden. Bovendien waren de door appellante aangevoerde omstandigheden niet bijzonder genoeg om van het beleid af te wijken.
De Raad wees ook het beroep op beleidsregel SB1067 af, omdat deze niet op de Algemene nabestaandenwet van toepassing is. De beslissing bevestigt dat financiële aanspraken op de overheid na vijf jaar niet meer afdwingbaar zijn, tenzij de wet anders bepaalt. Het hoger beroep wordt verworpen en het bestreden besluit blijft in stand.
Uitkomst: De verhoging van de nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht van vijf jaar wordt bevestigd en het hoger beroep wordt verworpen.