ECLI:NL:CRVB:2021:2705
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning partnertoeslag AOW met maximale terugwerkende kracht wegens onmiskenbaar onjuist besluit
Appellant, geboren in 1945, heeft in augustus 2009 een AOW-pensioen aangevraagd waarbij hij aangaf gehuwd te zijn, maar sinds 2014 gescheiden te leven. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende in 2010 een ouderdomspensioen toe voor een ongehuwde met ingang van juli 2010. Later bleek uit diverse levensbewijzen en verklaringen dat appellant weer samenwoonde met zijn echtgenote. In 2019 vroeg appellant een partnertoeslag aan, die de Svb in januari 2020 met terugwerkende kracht vanaf mei 2014 toekende.
Appellant stelde in hoger beroep dat de toeslag met terugwerkende kracht vanaf juli 2010 moest worden toegekend vanwege een grove fout van de Svb bij het initiële onderzoek. De zaak betrof een verzoek tot herziening van het onherroepelijke besluit van 2010 op grond van artikel 4:6 Awb Pro, beoordeeld aan de hand van beleidsregel SB1076. Deze beleidsregel staat toe dat een onmiskenbaar onjuist besluit kan worden herzien met maximaal vijf jaar terugwerkende kracht.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het bestreden besluit van de Svb in overeenstemming is met het toepasselijke beleid en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die afwijking rechtvaardigen. De onvoldoende initiële controle door de Svb en de beperkingen van het aanvraagformulier vormen geen reden tot afwijking. Daarmee werd het beroep ongegrond verklaard en de partnertoeslag met vijf jaar terugwerkende kracht bevestigd.
Uitkomst: De partnertoeslag AOW wordt toegekend met maximaal vijf jaar terugwerkende kracht wegens een onmiskenbaar onjuist besluit van de SVB uit 2010.